Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

haren grond en haar beginsel heeft in het algemeen menscheÜjke, in het geschapen-zijn van den mensch naar den beelde Gods, waardoor hij in zijn ééne wezen deel heeft aan en kennen kan de ideëele en de reëele wereld.

Ik trachtte u te toonen, dat de dichter zich daarin onderscheidt van den gewonen mensch, dat hij dit menschelijke in hooge mate, als bijzondere gave, bezit; de gave der geestelijke aanschouwing van het ideëele. Ik onderzocht met U, waarin de ideeën, die de dichter ziet, verschillen van de begrippen, die de man der wetenschap zich vormt, en hoe int dit verschil de onderscheidene wijzen voortvloeien, waarop de wetenschappelijke mensch en de dichter weergeven wat in hen is; dat bij den onderzoeker het verstand op den voorgrond treedt en het discursieve denken, ofschoon hij de aanschouwing niet versmaadt, bij den dichter daarentegen gevoel en phantasie heerschen, terwijl zijn dichterdenken intuïtief is. Uit het zien van analogieën in de ideeën, die de zinnelijke wereld te aanschouwen geeft, volgt de beeldspraak, als middel om het onzienlijke uit te drukken in beelden aan het zienlijke ontleend. We toonden eindelijk aan, dat de gave van den dichter niet van zijnen wil afhangt, maar alleen door eene hoogere spanning van zijn zieleleven, door eene drijvende macht, die over hem komt, in werking treedt, en zagen hoe de taal der poëzie met haar eigen karakter uit hetzelfde beginsel opkomt.

Zal ik nu nog spreken over den inhoud der poëzie, vragen wat een dichterlijke stof is, wat niet? Ik acht het niet noodig. Immers uit mijne stelling, dat het beginsel der poëzie ligt in het ideëele, uitgedrukt in het reëele, volgt het antwoord van zelf. Alles wat drager is van eene idee, dat is geheel Gods schepping, kan voorwerp zijn der poëzie. Maar juist daarom niet alles in dezelfde mate. De mensch is boven de natuur gesteld, de organische natuur boven de anorganische. De mensch, individueel en in het natuurlijk en maatschappelijk verband, in zijn zieleleven, in zijn denken en handelen en in zijne geschiedenis is daarom voor den dichter de rijkste stof.

Men heeft wel gezegd, Schiller o.a., dat het meer van het subject dan van het object afhangt of eene stof arm is of rijk aan dichterlijk gehalte, maar, hoe plausibel deze meening ook schijne, zij kan licht tot de verderfelijke gevolgtrekking leiden, dat het poëtisch schoon slechts subjectief is. Zoo is het echter

Sluiten