Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zijne bijzondere geestesgaven, en van dien bepaalden tijd, dat van eene overplanting in andere tijden, onder andere volken geen sprake kan zijn. Zij heeft boven alles vóór hare oorspronkelijkheid; van eenen invloed van andere volken is ons zeer weinig bekend; zij wordt niet gedrukt door eene veelsoortige massa van overgeleverde vormen en denkbeelden; frissche jeugd, eenvoud en klaarheid zijn haar sieraad.

De Griek, in 't bijzonder de bewoner van Attica, had eene zeer buitengewone gave voor vormen, hij nam met een helderen geest en een klaar oog de natuur waar, zóó scherp, als wij het niet kunnen. Men heeft niet lang geleden galoppeerende paarden door momentphotographie in hunne verschillende standen waargenomen en daarmede de voorstellingen in de antieke en moderne kunst vergeleken, waarbij het bleek dat alleen de Attische kunst in de 5de eeuw voor Chr. van galoppeerende paarden eene juiste voorstelling geeft1). Dezelfde scherpe waarneming' en zin voor het plastische kenmerkt de literatuur. De taal is rijk aan woorden en vormen, vol van klank en daarbij zoo buigzaam, dat zij de indrukken der ziel in al hunne schakeeringen zuiver kan weergeven. Verstand en phantasie treden onder de gaven van den geest op den voorgrond; de klaarheid van het eerste beteugelt de buitensporigheden der laatste. Harmonische evenredigheid van het geheel en de deelen maakt het wonderlijk schoone uit zoowel in de architectoniek der Grieksche tempels als der literatuur.

Tot de volle kennis van het ideëele in het reëele zijn de Grieken echter niet gekomen. Wel was de mensch, naar de meening hunner groote dichters, van Gods geslacht, maar God, als de Almachtige, de Schepper des hemels en der aarde, uit wien, door wien en tot wien zoowel het zienlijke als het onzienlijke is, bleef voor hen de onbekende God.

Niet alzoo voor de Christelijke literatuur der middeleeuwen, wier hoofdrichting de romantische is. Ook in haar echter kwam, in 't algemeen genomen, het Christelijke karakter niet tot volle ontplooiing. Het komt mij voor, dat de richting dezer literatuur reeds vroeg zich vertoont in de Christelijke Latijnsche letteren, nog vóór de nationale poëzie optreedt. In Gregorius van Tours en in de levens der heiligen uit de eerste helft der middeleeuwen

1) S. Reinach, Revue archéologique. Trois. serie, tome XXXVI, 1900.

Sluiten