Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Evenmin houdt steek een beroep op het motief, dat tot verwerping der leer van het boos opzet leidde, dat n.1. de wet tot misdrijven alleen stempelen zou die handelingen waarvan ieder normaal ontwikkeld mensch het ongeoorloofde kan inzien.') Want hiermee wordt slechts de belofte afgelegd, dat de wetgever het maatschappelijk ongeoorloofde zal achterhalen, een belofte, waaraan niemand is gebonden, en waarvan de vervulling een open vraag blijft; (staats)-r echtelijk ziin zulke voornemens waardeloos. Wordt nu juist een beroep gerechtvaardigd met de belofte, dat het sociaal ongeoorloofde zal samenvallen met het rechtens ongeoorloofde, dan is zonneklaar, dat, volgens het oordeel van den wetgever, op het rechtens ongeoorloofde het zwaartepunt valt.

Bovendien geeft dit argument geen uitsluitsel over de vraag of de wet ook bij overtredingen steeds het sociaal ongeoorloofde zal achterhalen.

Tenslotte, dit maatschappelijk ongeoorloofde wordt gewoonlijk zóó ruim genomen, dat ook het rechtens ongeoorloofde daaronder valt, en dus — we merkten het op — eischt men te veel.

Niet op het maatschappelijk ongeoorloofde, maar het rechtens ongeoorloofde komt het aan.

Van Hamel noemt als eerste „geschiktheid", die, om de feitelijke strekking der eigen handelingen te begrijpen. Het schijnt mij minder noodig dit element afzonderlijk te vermelden. Toerekeningsvatbaarheid is streng te scheiden van de handeling. In deze phase wordt aangenomen, dat de vraag: „Is er een handeling," bevestigend is beantwoord. Hieruit volgt, dat thans niet meer in het geding is het causale willen, maar het psychologische willen; en van dit willen is de geschiktheid de feitelijke strekking der eigen handelingen te begrijpen, onmisbare voorwaarde. De zelfbepaling onderstelt haar reeds begripsmatig.

Wat hebben wij dan te verstaan onder de geschiktheid om overeenkomstig genoemd inzicht zijn wil te bepalen, kortweg onder de geschiktheid tot zelfbepaling?

Bekend is, dat in verschillende wetgevingen van vrije wilsbepaling wordt gesproken en dat zich hieraan een strijdvraag heeft

1) T. a. p. blz. 388.

Sluiten