Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ophoudt in zijn hoedanigheid en niet incognito1). Want het Staatshoofd, dat zich incognito in het vreemde land bevindt, heeft volgens heerschend gevoelen, o. i. evenwel ten onrechte, daardoor (althans wordt geacht te hebben) afstand gedaan van zijn recht op exterriorialiteit. Dat een Staatshoofd geen exterriorialiteit geniet, als hij tegen den wil van de regeering van het vreemde land zich aldaar ophoudt, wordt niet betwijfeld.

b. De gezant geniet eveneens exterritorialiteit. Gelijk recht hebben ook de familie en het gezantschapspersoneel. Niet de familie van het gezantschapspersoneel. Het is betwist, of ook het dienstpersoneel deze exterritorialiteit bezit.

c. Het is voorts twijfelachtig of consuls exterritorialiteit bezitten. O. i. zal dit moeten worden ontkend. Want de rechtspositie van den consul mist een volkenrechtelijken grondslag; zij berust op de wetten van het land, dat hem uitzendt. Trouwens al ware dit niet het geval, de onderscheiding, die men in consuls pleegt te maken (de consules emissi en de consules electi) is van dien aard, dat het weinig aannemelijk is, dat de vraag ooit-voor alle consuls zonder onderscheid in bevestigenden zin zou kunnen worden beantwoord.

d. Exterritorialiteit komt ook toe aan de bemanning van oorlogsschepen en van legerkorpsen, die zich op het territorium van den Staat bevinden met goedvinden van dien Staat.

e. Onder de zaken die exterritorialiteit hebben, wijzen we vooreerst op het gezantschapsgebouw en de zich daarin bevindende goederen.

Volgens de oudere opvatting, de fictietheorie, werd de gezant geacht zijn land in het geheel niet te hebben verlaten en het gezantschapsgebouw beschouwd als territoir van den Staat, dien hij vertegenwoordigde. Alles wat in het gebouw plaats greep, werd geacht te zijn geschied in het land, dat de gezant had uitgezonden. Later heeft men deze gedachte prijs gegeven en thans geldt als heerschende meening, dat het gezantschapsgebouw alleen in zoover exterritorialiteit geniet, als noodig is, om de persoonlijke onschendbaarheid van den gezant en zijn gevolg te waarborgen. Daarbij moet de gedachte steeds op den- voorgrond staan, dat de exterritorialiteit niet aan het goed als zoodanig toekomt, maar dat deze in verband moet staan met de persoon van den gezant. Een villa, waarin de gezant, zij het ook tijdelijk, verblijf houdt, heeft evenzeer exterritorialiteit als het gezantschapsgebouw. Hoever deze exterritorialiteit reikt, is een andere kwestie. Begaat een niet tot het gezantschapspersoneel be-

!) Zie echter Frisch, t. a. p., blz. 41.

Sluiten