Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

handelingen nog niet volledig verricht. Men spreekt dan van geschorste of niet-voleindigde poging (unbeendigter of nicht-beendeter Versuch, conatus propinquus, tentative inachevée — het geweer is aangelegd, maar nog niet afgeschoten1)).

5. Steeds moeten echter de vereischte handelingen zóó zijn, dat ze beantwoorden aan de wettelijke omschrijving met al hare eventueele modaliteiten (subjectieve, objectieve, temporeele, locale) en andere relaties. Is dit niet het geval, dan is er geen begin van uitvoering; ook al mocht de dader meenen, dat de situatie zoo is, als wettelijk blijkt omschreven te zijn; van poging kan dan nimmer sprake zijn.

Het is van belang hierop te wijzen. Poging is immers fragmentaire reehtsfeitsverwerkelijking. Aan de wettelijke omschrijving is door haar in alle opzichten voldaan, behalve, dat het slotstuk der uitvoering ontbreekt. Het gaat daarom niet aan, om, zooals b.v. door von Liszt, Kriegsmann, het Re i c h s ge r i c h t e. a. 2) geschiedt, dit manco in de volledige reehtsfeitsverwerkelijking op één lijn te stellen met het niet voldoen aan de modaliteiten en andere relaties in de wettelijke omschrijving aangegeven.

Men gaat hierbij uit van de stelling, dat in beginsel alle kenmerken der wettelijke omschrijving gelijkwaardig zijn: het ontbreken van een, in het rechtsfeit omschreven, persoonlijke hoedanigheid, (wel te onderscheiden van een in den persoon van den dader gelegen omstandigheid, die de straf uitsluit — lidmaatschap van de Kamer, enz.) of een locale modaliteit, wordt gelijkwaardig geacht met het ontbreken van het slotstuk der uitvoering.

Deze opvatting is echter onhoudbaar, wijl in strijd met de wet. In het midden kan worden gelaten of van uit rechtscritisch standpunt gelijkwaardigheid bestaat; immers we vragen niet naar „richtig recht", maar naar wat het positieve recht eischt. Uitgangspunt der wet is, dat alleen op de volledige reehtsfeitsverwerkelijking straf kan volgen. Hierop maakt o. a. art. 45 Sr. uitzondering, door met de volledige reehtsfeitsverwerkelijking de fragmentaire gelijk te stellen. De wet heeft dus alleen en uitsluitend op het oog dat manco bij de reehtsfeitsverwerkelijking, dat gegrond is in het ontbreken van het slot (alles wat niet meer „begin" is) der uitvoering. Ze spreekt immers alleen van het begin der uitvoering.

*) Met het oog op het verschil van gevoelen, dat ten aanzien van de in den text aangegeven onderscheiding heerschte, heeft onze wetgever haar geheel ter zijde gelaten; zie Smid t, t. a. p., dl. I, blz. 422. Vgl. ook von Liszt, t. a. p., blz. 204, 205.

2) Zie von Liszt, t. a. p., blz. 201 en noot 1 aldaar.

Sluiten