Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Dat iets, op 1 Mei 1925 verricht, in zijn uitwerkingen eerstop 1 Juni 1925 kenbaar is, is toch zeker niet onlogisch.

4. Alleen de theorie van den lichamelijken daad is o. i. juist te achten en aan de hand daarvan komen we voor de verschillende, zich om de handelingseigenschappen groepeerende, leerstukken tot de volgende beslissing.

a. Alle eigenschappen der handelingen worden, wat „tijd en plaats" betreft, beoordeeld naar het tijdstip en de plaats der handeling. Bij de omissieve delicten, zoowel de eigenlijke als de oneigenlijke, ontbreekt de handeling; dan komt die plaats en dat tijdstip in aanmerking, waarop had dienen gehandeld te worden.

b. Dit geldt in het bijzonder voor de toerekeningsvatbaarheid. Of het feit door een toerekeningsvatbaar persoon gepleegd is, daarover beslist alleen des daders geestelijken toestand op het tijdstip der handeling. Later ingetreden krankzinnigheid b.v. sluit de schuld niet uit.

c. Somtijds is de strafbaarheid afhankelijk van een bijkomende voorwaarde voor strafwaardigheid. Wat geldt nu ten aanzien van de tempus en den locus van het voldoen aan de bijkomende voorwaarde van strafwaardigheid? Hier is te onderscheiden. Onderstelt de wet geen oorzakelijk verband tusschen de handeling en de vervulling van de bijkomende voorwaarden van strafwaardigheid, dan volgen deze voorwaarden haar eigen wetten van localisatie en temporalisatie. De wet onderstelt dan ook, dat nu eens de bijkomende voorwaarde tijdens (b.v. het gepleegd zijn van het feit binnen het rijk in Europa), dan weer vóór (b.v. art. 341 30 Sr.) dan weer en meestal dat ze na het plegen van de handeling (b.v. als de oorlog uitbreekt, art. 101 Sr.) intreedt. Voor den locus en de tempus delicti als een locus en tempus der handeling is dan de plaats en de tijd van de vervulling dezer reeks van bijkomende voorwaarden zonder belang.

Eischt de wet echter causaal verband tusschen handeling en de vervulling van de bijkomende voorwaarde, dan is de tempus en de locus der handeling beslissend (b.v. bij de door het gevolg gequalificeerde delicten).

5. Wat geldt nu voor de verschijningsvormen?

Ook hier is het bovenstaande beslissend.

a. Dit geldt al dadelijk voor de pogingshandeling.

b. Maar evenzeer is dit toepasselijk voor deelneming; de tijd en de plaats van de handeling van den uitlokker en medeplichtige1) is

1) Zie arr. H. R. van 1 November 189/, W. 7040.

Sluiten