Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

weliswaar meerdere handelingen zijn en dus aan dezen concursus zou kunnen gedacht, maar zij niet zelfstandig zijn, zij te zamen «en eenheid vormen. Geen echte eendaadsche, Omdat, ofschoon er een eenheid is, toch de samenloop van strafbepalingen — door den eigenlijken concursus idealis ondersteld — ontbreekt. We hebben dus hier te doen met één delict, met één strafvordering.

De samenhoorigheid van handelingen onderstelt dus, dat deze handelingen, als het aspect van het delict hetzelfde blijft, indien elkaar samenhangen.

a. De „juridische" eenheid wordt daardoor gekarakteriseerd, dat we met meerdere handelingen te doen hebben, die echter hetzelfde rechtsfeit hetzij volledig hetzij fragmentair verwerkelijken.

b. Er is een feitelijke samenhang tusschen de verschillende handelingen, als het aspect van het delict hetzelfde blijft, indien we in de plaats van de meerdere handelingen één dier handelingen denken. Dit nu is het geval bij handelingen, die ieder voor zich het (zelfde) rechtsfeit verwerkelijken, maar wijl ze gelijktijdig worden verricht, zich als een eenheid vertoonen, A slaat B met beide vuisten te gelijk.

Maar ook als we te doen hebben met een delictum contihuatum, een voortgezet delict" d- i. een opeenvolgende reeks van handelingen, die ieder op zich zelf het (zelfde) rechtsfeit verwerkelijken en tusschen welke handelingen zulk een verband bestaat, dat het gebeuren zich als eenheid vertoont, b.v. het binnen een bepaald tijdsverloop herhaaldelijk sexueel verkeer hebben van den overspeligen echtgenoot met dezelfde vrouw.

12. Het is zeer de vraag of en in hoever deze samenhoorigheid van handelingen uitdrukkelijk geregeld is in onze wet.

Meestal ziet men in art. 56 j° 62 Sr. de regeling van het delictum continuatum, „een voortgezette handeling" (b.v. van Hamel, wellicht ook de M. v. T., de jurisprudentie). Anderen, b.v. Simons, ontkennen dit. Ook ons schijnt deze laatste opvatting juist toe. Ai t. 56 Sr. heeft niet het oog op het delictum continuatum, wijl daarin de mogelijkheid is ondersteld, dat we met verschillende feiten te doen hebben, die niet hetzelfde, identieke, rechtsfeit verwei kelijken wat toch juist voor het delictum continuatum vereischt is. Wel spreekt de wet van een „voortgezette handeling", en sprak de M. v. T. van een „voortgezet misdrijf", in verband met „soortgelijke feiten"1), en zou hieruit een argument kunnen worden

*) Smidt, t.a. p., dl. I, blz. 479 en 480.

Sluiten