Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ander wezen dan dit: «alleen in die gevallen, waarin men tot handelen gehouden was». Gehouden-zijn tot handelen, dat niet geschiedt, zal wel hetzelfde moeten aanduiden, als laten dat geboden is. Het leerstuk van de «causaliteit van het laten» zou dus met het leerstuk der onrechtmatigheid zijn afgehandeld ? Sim ons schrijft zelf: «De onrechtmatigheid van het niet-han«delen brengt de aansprakelijkheid daarvoor mede, wanneer «door dat niet-handelen een schadelijk gevolg is ingetreden, dat «bij plichtmatig wei-handelen zou zijn achterwege gebleven». Blijkbaar ' brengt dus niet slechts de onrechtmatigheid, maar (mede) de causaliteit van het niet-handelen (als «door dat niethandelen een schadelijk gevolg is ingetreden») de aansprakelijkheid niet voor dat nalaten, maar voor de «gevolgen» van dat nalaten mee. Hoe men zich die veroorzaking denken wil, doet voorloopig niets ter zake: dat er bij de onrechtmatigheid nog een andere voorwaarde moet komen voor de aansprakelijkheid, is niet te ontkennen.

Intusschen worde hier reeds erkend, dat in deze beschouwingen een kern van waarheid ligt. Zij zijn echter éénzijdig.

Zal van laten, in ons verband, gesproken kunnen worden, dan moet er een gewild «gedrag» zijn aan te wijzen. Want, dat laten gewild kan zijn en gewild moet zijn, zal het rechtelijke beteekenis erlangen, daarover kan, dunkt mij, geen twijfel bestaan. Van Hamel acht het laten causaal, wanneer het gevolg, zooals het zich voordeed, niet ingetreden zou zijn, indien men zich het laten weg-, d. i. een positieve handeling in de plaats, denkt.

Het schijnt plausibel. Immers, oordeel is iedere voorwaarde voor het gevolg, iedere omstandigheid, die niet kan worden weggedacht, zonder dat het gevolg, zooals het feitelijk in concreto voorkwam, zou moeten wegvallen. Welnu, men keere de bepaling om en het resultaat is een bepaling, als door van Hamel wordt gegeven. Kan het eenvoudiger? De onjuistheid van de theorie der conditio sine qua non in dezen vorm hebben wij aangetoond. Het is haar onvermogen, om onder de antecedenten of voorwaarden te onderscheiden. Niet iedere voorwaarde is (mede-)oorzaak. Waarom de zaak niet aldus opgevat, vraagt van Hamel, «dat oorzaak is: iedere toestand, die als voor«waarde van het ontstaan van het gevolg in concreto niet kan «worden weggedacht, zonder dat ook het gevolg niet zou zijn «ingetreden». Het antwoord luidt: omdat niet iedere omstandigheid oorzaak is, en bovendien, omdat nimmer een toestand «oorzaak»

Sluiten