is toegevoegd aan uw favorieten.

Verzamelde opstellen van Willem Zevenbergen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

te wijten is; dit is nog niet voldoende, om aansprakelijk te zijn volgens art. 1401 B. W.. Zal dit artikel kunnen worden toegepast, dan moet tevens schade zijn teweeggebracht. Bovendien, de mededader, uitlokker, middellijk dader van of tot een strafbaar feit en de medeplichtige aan een misdrijf begaat een onrechtmatige daad. Wat geldt voor feiten, die niet strafbare feiten zijn, of niet misdrijven ?

Deelneming is altijd deelneming aan. De uitlokker tot levensberooving wordt gestraft als dader. Mag men aannemen, dat hij «dader» is? Het woord «dader» is misleidend. Het dubbelzinnig gebruik van dit woord heeft niet het minst bijgedragen tot de verwarring, die in dit leerstuk heerscht. Ook S i m o n s heeft zich in zijne uitnemende verhandeling over het burgerlijk delict in Themis aan deze fout schuldig gemaakt. Blijkbaar toch is S i m o n s de meening toegedaan, dat de vraag of de uitlokker, of medeplichtige civielrechtelijk verantwoordelijk is, beheerscht wordt door deze: «welke theorie der veroorzaking wordt voorgestaan»? Nu is het zeker waar, dat, mocht men slagen in het bewijs, dat genoemde personen niet oorzaak zijn, daarmede tevens zou zijn bewezen, dat zij niet zelf-verantwoordelijk zijn. Maar niet het omgekeerde is waar. Wat toch is de kwestie? Niet wordt betwist, dat, zoo dikwijls de onrechtmatige daad atypisch is, de vraag naar de aansprakelijkheid wordt beheerscht door de causaliteit, voor zooveel het «feitelijke» aanbelangt. Maar wel, dat het vraagstuk der deelneming ook in het burgerlijk delictenrecht door de causaliteitsvraag wordt beheerscht. Deze dwaling vindt haar grond in de miskenning van de beteekenis van de «Tatbestand». Met het leerstuk der veroorzaking heeft dat der deelnemingsvormen, althans van het standpunt der theorie van de conditio sine qua non, niets uit te staan. En niemand minder dan B ü m e 1 i n heeft opgemerkt, dat voor den strijd tusschen de objectieve en subjectieve theorieën der deelneming het algemeene oorzaaksbegrip van het B. G. B. «Ohne Bedeutung ist». Hetzelfde geldt m. i. voor ons B. W. en W. v. Sr.. Niet hierop, zegt Beling 1), komt het aan, of de medeplichtige en de uitlokker «oorzaak» is, maar welke de plaats is, die deze deelnemingsvormen in het licht van het abstracte rechtsfeit innemen. Voor zoover dit atypisch is, dit wordt onmiddellijk toegegeven, is de causaliteit de alles beheerschende factor;

!) Die Lehre vom Verbrechen, 1906, blz. 249, '250 Zevenbergen, Verzamelde werken.

15