Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van anderen voor een onrechtmatige daad, waaraan ik deel heb genomen, mij uit dien hoofde niet vrij doet uitgaan. Maar hieruit volgt nog niet, dat hij, die deel heeft aan een onrechtmatige daad, tot schadevergoeding is gehouden, zooals de Rechtbank blijkbaar meent.

Immers, als de gevolgsverwerkelijking een bepaalde wijze van doen ondersteld, dan hangt het van den aard van des deelnemers aandeel aan het intreden van het gevolg af, of hij het rechtsfeit heeft verwerkelijkt en dus voor de vergoeding der mede door hem veroorzaakte schade in aanmerking zou hunnen komen. Het kan blijken van wel, maar ook van niet. In het eerste geval is dan slechts de mogelijkheid van een gehoudenheid komen vast te staan, in het tweede geval is deze juist uitgesloten. Had b.v. de commissionnair den arbeider door giften er toe bewogen zijn patroon te kwetsen enz., dan was de mogelijkheid van een gehoudenheid van dezen uitlokker op den voet van art. 1406 of 1407 a priori uitgesloten, hoewel hij, evenals de uitgelokte, oorzaak is, dat de gekwetste gekwetst is, dat hij in den toestand verkeert van gekwetst te zijn. Hij is geen dader, kan dus a priori nooit als zoodanig verantwoordelijk zijn, omdat de voltooiing, de verwerkelijking niet wordt verwacht van en geschiedt door eigen bewuste werkzaamheid, door natuurkrachten of een schuldlooze daad van een derde, maar door een schuldige handeling van een derde.

Omdat een bepaling ontbreekt, die ook niet-daders verantwoordelijk stelt, moeten we beslissen, dat de medeplichtige en de uitlokker niet civielrechtelijk verantwoordelijk zijn als zoodanig; ze kunnen slechts verantwoordelijk zijn, als, en voor zoover, ze dader zijn.

Het onderscheid tusschen mede-dader en medeplichtige kan niet worden bepaald aan de hand van de causaliteitstheorie, maar wordt verkregen door toetsing of liever subsumtie van een concreet gebeuren onder een Schablone, het rechtsfeit. Hij, wiens handeling ligt in het centrum, is mededader; hij wiens handeling ligt aan de peripherie, is medeplichtige (aangenomen, dat de andere vereischten aanwezig zijn), of juister is niét mededader. Het beslissend criterium is derhalve de logische onderscheiding van wat het bijkomstige en van wat het wezenlijke vormt, van wat ligt aan de peripherie en van wat in het centrum van het begrip ligt.

Het behoeft wel geen betoog, dat zoo ooit. de deelnemers

Sluiten