is toegevoegd aan uw favorieten.

Verzamelde opstellen van Willem Zevenbergen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

is de vraag, niet naar de Rechtssatz bloss als Tatsache, maar, naar de Rechtsatsz an sich, de verplichtende kracht. Is dit juist, dan is het niet moeilijk aan te toonen, dat, wat voor de sfeer der waarheid geldt, ook toepassing vindt in de dingen van het recht. De jurist, zagen wij, heeft zich niet te bekommeren om het feitelijke van het recht, d. w. z. den psychologischen neerslag, hij heeft niet te vragen, hoe voorstellingen van het recht zich vormen, ontwikkelen en vergaan, maar enkel en alleen den zin te bepalen, aan te geven wat «gewild», geboden is, wat behoort te zijn 1).

Hierbij komt nog een omstandigheid, waarop we thans moeten wijzen. De rechtsorde — hieraan kan geen redelijk mensch twijfelen — denkt en moet de jurist zich denken als redelijk gesloten systeem van gedachten, van oordeelen. Of deze rechtsorde zich dekt met de wet, ja dan neen, dat kan hier buiten bespreking blijven. Wij willen hier slechts het feit constateeren, dat een apriorische noodwendigheid voor de rechtswetenschap is de voorwaarde, dat het recht systematisch gesloten is. Tevens heeft de jurist de rechtsorde, wijl systematisch gesloten, aan te merken als een ordening, die in haar aangelegenheid «das letzte Wort» heeft. Zoolang de categorie van het onrecht, als het onrichtige »ungerechte Recht» in deze wereld nog zin en beteekenis heeft, zoolang is daarmee gezegd, dat een rechtsorde naar haar begrijp — natuurlijk niet van het standpunt der absolute waarde — souverein is.

VII. — Thans, nadat, het moet eerlijk worden toegegeven, vele hindernissen zijn «weggeruimd», is de baan geëffend. De jurist, als — en voor zoover — hij zin en beteekenis der rechtsorde heeft vast te stellen, staat tegenover de rechtsorde in soortgelijke positie als de logicus tegenover het rijk der waarheid, alles, wat met het oog op de categorieën ten aanzien van de logische sfeer is gezegd, geldt voor den «logos» in het recht. Dat ik verplicht ben mijn huurpenningen te betalen is niet iets, dat in ruimte of tijd is, dat ontstaat, werkt, maar iets, dat boven ruimte en tijd uitgaat. Het rechtelijk oordeelen, d. w. z. het recht in zijn neerslag in de individuen is een gebeurtenis, een «Geschehen» in ruimte-tijd, dat ontstaat, ontwikkelt en vergaat, dat werkt, reëele existentie heeft, dat tallooze malen voorkomt; dat als totaal-inhoud in geen enkel

i) Radbruch, Grundziige der Bechtsphilosophie, 1914, blz. 161.