is toegevoegd aan uw favorieten.

Verzamelde opstellen van Willem Zevenbergen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

verwijst naar „de goede zeden", naar het oordeel van een goed huisvader, zich bedient van termen als „redelijkerwijs", „billijkheid", enz. In al deze gevallen hebben we te rekenen met een onzekerheidscoëfficient in de rechterlijke beslissing x). En toch gelden deze verschillende beslissingen als rechtspraak. Wat, om een voorbeeld te geven, goede zeden zijn, zegt onze wet niet; zij zegt al evenmin, wat zeden zijn en een en ander is ook niet met den besten wil en het scherpste vernuft „uit de wet te halen." Dit weten we, dat de wet ons verwijst naar de goede zeden. Wanneer zijn deze zeden goed? Is de rechter verplicht een eigen maatstaf aan te leggen, of zal hij zich slechts hebben aan te sluiten bij het heerschend gevoelen? Zal de rechter de zeden hebben de toetsen aan wat naar zijn opvatting2) als rechtsidee zal hebben te gelden, of kan hij berusten in den gegeven staat van zaken en volstaan met de erkentenis van de normatieve kracht van het feitelijke of wel, zal hij de doelmatigheid of nuttigheid laten beslissen8) ? En zoo al een aansluiting aan het heerschend gevoelen geboden is, moet de rechter zich dan onvoorwaardelijk daarvoor buigen of mag wel degelijk worden acht geslagen op wat mijn leermeester 4) „Bewahrte Lehre" noemde?

1) Dit erkennen o.a. ook Würstendörfer, Archiv für die Civilistische Praxis, 1913, blz. 319v., voorts Heek, t.a.p., blz. 284v.. Zie ook Hammacher. Hauptprobleme der modernen Kultur, 1914, blz. 319v..

2) Deze onderscheiding is niet zonder belang voor de logica der rechtstoepassing. Moet toch de rechter alleen acht slaan op de gangbare opvatting, het heerschend gevoelen, dan is het logisch karakter der rechtsbepaling een Wertsbeziehung (R i c k e r t). Psychologisch is dan de akte der beslissing een functie van het kennend bewustzijn, een cognitieve. Staat het daarentegen den rechter vrij, als maatstaf datgene aan te leggen, wat naar zijn gevoelen of conscientie als laatste richtsnoer zal hebben te gelden, dan is, logisch gesproken, zijn beslissing een Werturteil en psychologisch is dan de verrichting van zijn geest een emotioneele, volitieve, een functie van het waarde- of normbewustzijn.

In verband met het leemtevraagstuk onderscheidt men wel naar dit gezichtspunt in cognitieve of subsumtieleemten en waardeeringsleemten, cf. Heek, t.a.p., en S o m 1 ö, t.a.p., blz. 406. Zie voorts in het algemeen Heinrich Maier. Die Psychologie des emotionalen Denkens, 1908, passim.

3) «Geboden», d. w. z. van uit het standpunt, van waaruit men de rechtsorde beschouwt. Uiteraard is dit gebod dus niet onvoorwaardelijk, niet categorisch, maar hypothetisch. Dit schijnt E m g e wel uit het oog te verliezen in zijn: Ueber das Grunddogma des rechtsphilosophischen Relativismus, 1916, blz. 53.

4) Men vergelijke behalve Hubers bijdrage in «Politisches Jahrbuch