Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Dat de wet de historische continuïteit zal bewaren, dat zij aan het rechtspolitisch doel blijvend dienstbaar zal zijn, is een eisch, die ontspringt uit onze levens- en wereldbeschouwing, nadat daarin aan de rechtsorde een of hare plaats is toegekend. Het is geen eisch des rechts! De juistheid van een wereldbeschouwing is niet te bewijzen, men kan daarvan slechts rekening en verantwoording afleggen en wel — dit mag nooit worden vergeten — ten overstaan van hen, die het met ons eens zijn, die met ons van hetzelfde gevoelen zijn, die onze geestverwanten zijn. Dit is dan ook de reden, waarom de juridische rechtvaardiging van een gegeven beslissing tegenover derden altijd iets komisch in zich heeft.

De middelen van uitlegging zijn wegen, waarlangs de rechtsinhoud of het recht zonder meer ons geestelijk bezit wordt, tot onze kennis is gekomen, maar ze zijn niet het recht zelf. Hoe zou ik mij dan op deze instantie kunnen beroepen, om mijne beslissing als rechtelijke, als rechts-logische te rechtvaardigen ? Toch op geen andere wijze, dan door denzelfden weg af te leggen ? Wie zich derhalve voor de rechtvaardiging eener rechterlijke beslissing tegenover derden op de wet beroept, doet een vruchteloos werk. Hij vergeet, dat de wet, waaraan hij toetst, waarmee hij meet, de aldus, d. i. de met deze maat gemetene, dus met deze bepaalde middelen van uitlegging uitgelegde, wet is x).

Men verliest maar al te dikwijls de verhouding uit het oog, waarin de uitlegging der wet tot de wet, de wetenschap van het recht tot het recht staat. Uitlegging is werktuig, is instrument der rechtskennis. Zonder uitlegging geen rechtskennis 2). Want

Zeitschrijt 1916. Bd. 47, b!z. 535v., de Deutsche Richterzeitung van 1916, in Oesterreichische Zeitschrift für Oeffentliches Recht. Bd. II, blz. 392v„ enz.

1) Dat datgene, wat hier slechts in grove trekken kan worden aangeduid, van tundamenteele beteekenis is voor elke wetenschap, die op Deutung aangewezen is, springt in het oog.

-) Terecht merkt ook Begelsberger op: «Man hört haüfig: nur «dunkl3 oder zweideutige Gesetzen bediirfen der Auslegung. Das ist nicht «richtig und beruht auf einer Verwechslung der Auslegung mit der Schwierig«keit ihrer Aufgabe. Auch der klare Gesetzestext ist zunachst toter Buchstabe «und seine Anwendung dadurch bedingt, dass der Anwendende der Sinn «in sein Bewustsein aufgenommen hat.» Pandekten, 1893, blz. 141.

Het heeft wel den schijn, dat Schol ten in Mr. Asser's Handleiding tot de beoefening van het Nederlandsch burgerlijk Recht Dl. 1,8e druk le stuk 1919, blz. 72/3, deze waarheid uit het oog verloren heeft. «Door «enkel de feiten onder den wetteüjken regel te brengen komt de rechter

Sluiten