Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

I. 8. 10.

Eerste tegenwerping tegen Mosen en de Propheten.

Antivoort.

2. Reg. 22. 8. 2. Paral. 34.15.

saem gewapent zijn om den godtloosen blaffers den mondt te snoeren. Want dit bewijs is soo klaer dat het buyten penjckel is van alle spotternije en teghenspraeck.

9. Ick weet wel wat sommighe fielen hier en daer in hoecken hier 1) teghen morren, op

uaise in t neveciuen van Godts waerheydt, de scherpsinheyt haers verstants op de monsterplaets souden voort brenghen. Want sy vraghen wie dat ons versekert heeft, dat Moses en de Propheten geschreven hebben , die dingen , die onder haren naem uytgaen en gelesen worden. Jae sy derven oock wel vragen ol er oyt eenigen Mosis gheweest zy. Maer soo yemandt in twijfifel trock of er oock oyt eenigen Plato , of Aristoteles , of Cicero in de werelt is gheweest, wie isser die niet en soude segghen dat soodanighen uytsinnigheydt met vuyst-slaghen en sweepen behoorde ghestraft te worden? De Wet Moses is meer door de voorsienigheydt Godts als door de vlijt en arbeyt der menschen wonderbaerlick bewaert geweest. En al is 't datse door versuym en sloffigheydt der Priesteren voor een korten

tijat begraven heelt gheleghen, nochtans na dat de Godtvruchtighe Koningh Josias deselve ghevonden hadde, soo isse door geduerigh' opeen2)volgingen der tijden in de handen der menschen gheweest. Josias en heeft die oock niet voort ghebracht als een onbekend' en nieuwe saeck, maer als een saeck waer van altijdt kennis geweest, en de gedachtenis noch

x.ruu., .0,,» verseti was. Het boeck der Wet dat alder eerst was gheschreven, wiert in den tempel bewaert: en een copye daer uyt was wech geleyt onder de boecken en brieven des Koninghs. 't Was alleen met de Wet aldus toegegaen, te weten, dat dePriesters opgehouden hadden deselve na gewoonlicke wijse te verkondigen, en dat oock het volck van het ghewoonlick lesen en ondersoecken geen werek ghemaeckt en hadde. Wat sullen wy hier toe segghen datter by na gheen eeuw' en is voor by gegaen in dewelcke d' authoriteyt der Wet niet en zy bevestight en vernieuwt gheweest? Heeft Moses niet bekent geweest van den genen die de Psalmen Davids lasen? Maer op dat ick spreke van alle de Propheten te ghelijck, het is meer dan seker dat hare schriften door

ander middel tot de nakomelingen en /iin

—v J

geen

(p. 22.'

ghekomen , dan van handt tot handt. om soo te spreken , tot allen tijden door de Vaders overgelevert zijnde, dewelcke ten deele de predicatien der Propheten selfs ghehoort hadden , en ten dee e van de toehoorders der Propheten uyt verscher gedachtenis hadden verstaen , dat die alsoo geleert en gesproken hadden.

1) [3- 2) achter.

10. t Geen sy oock uyt de history der Machabeen by brengen, om de geloofweerdigheyt der Schriftuyre te krencken, is soodanigh datter niet dienstigher en kan bedacht worden tot harer versterekingh. Nochtans sullen wy eerst de verwe die sy daerover 1) strijeken, afwisschen: en daer na sullen wy het wapen-tuygh datse tegen ons voort brengen, omkeeren teghen haer. Dewijl Antiochus, segghense, alle de Boecken der Wet heeft doen verbranden, van waer zijn de Exemplaren en Copyen der Wet, die wy nu hebben , voorts ghekomen ? Maer ick vrage wederom in wat werek-huys en winckel deselve soo haest hebben konnen ghesmeedt worden ? Want het is openbaer datse terstont na dat de vervolginge ophielt voor den dagh gekomen zijn, en van de Godtvruchtige, dewelcke in de Leere der selver opghevoedt wesende, daer van ghemeensame kennisse hadden , sonder eenighen twijlfel voor oprecht zijn aengenomen. En dat meer is, hoewel alle godtloose, ghelijck door een ghemeene t' samensweeringh den Joden, so brootdronckelick op 't lijf zijn ghevallen; soo heeft nochtans niemandt onder hen oyt soo vermeten geweest dat hy haer soude beschuldight hebben , datse valsche Boecken op valsche namen hadden laten uyt gaen. Want wat sy oock souden moehen ehevoelen van de Relieie der Jndpn

sy bekennen nochtans Mosen voor den Autheur

J 11 1 1 «TT

en insteiier aer selver. Wat brengen dan die blaeskaken anders te voorschijn, dan hare meer dan beestelicke onbeschaemtheydt, als sy segghen dat valschelick op valsche namen uyt ghegaen zijn die boecken der Heiliger Schriftuyre , welckers heylighe oudtheydt 'goedt ghekent en toe ghestaen wordt door over-

een-stemmingne van alle Historiën? Maer op dat ick niet te vergeefs meer arbeyts aenwende om so vuyle calomnien en blamen te wederlegghen, soo laet ons veel meer hier uyt overleggen, hoe sorghvuldigh de Heere gheweest zy, om sijn Woordt te bewaren, dewijl hy t selfste uyt de wreetheydt van dien grouwelicken tyran, als uyt een gheweldigh vyer boven aller menschen verwachting verlost heeft: dewijl hy de Godtvreesende Priesters en andere meer met sulcken stantvastigheydt ghehardt en gewapent heeft, datse sicli niet en hebben ontsien desen schat oock met verlies haers levens, indien 't de noot vereyschte, te koopen en aen hare nakomelinghen over te laten: dewijl hy oock de seer naeuw en strenghe naspeuringhe en ondersoeckingh van so veel stadt-houderen en trau-

Tweede tegen-werpingh.

1. Mach. ]. 59.

Antwoort.

Dan de wonderbaerlieke voorsienigheyt Godts in 't bewaren van de heylighe Boecken so veel eenwen langh onder soo veel vyanden en soo

seer wreede vervolgingen.

1) daer aen.

Sluiten