Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

T. 8. 13.

Bewijs-redenen uyt de

Kerckelicke History.

1. De gheduyrighe eendrachtigheydfc der Kercke in 't aennemen en behouden der waerheydt.

2. De otioverwinnelicke sterckte der selver waerhevdt.

3. Dat over een dragen der Godtvriicht.igen, die andersins op 9o veel wijsen onder malkan deren verschilden,

4. De Godtvruchtige belijdeni9se der gheleerder Man-

5. De vol 9tandigheyt der Martelaren.

12. Hier by komen noch andere seer goede redenen, dewelcke bewijsen dat het eendrachtig over een stemmen van de Kerck in dese saeck een groot ghewicht heeft. Want 't en is voorwaer niet kleyn t' achten , dat so haest als de Schriftuyr in 't openbaer was voort ghekomen, de herten der menschen van soo veel eeuwen volstandelick te samen ghestemt en gestaen hebben in hare gehoorsaemheydt; en al is 't dat de Satan met de gantsche werelt op wonderlicke wijse ghepooght en gearbeydt heeft deselve of t' onderdrucken of uyt te roeyen, of gantsch te verduysteren en uyt de ghedachtenis der menschen uyt te schrabben, datse nochtans ghelijck den Palm tegen den last opgestegen en onoverwinlick ghebleven is. Want daer en is in voortijden by na niet eenen Sophist, of redenaer 1) van wacker en kloeck verstandt gheweest die sijn kracht teghen haer niet en heeft in ghespannen: en nochtans en hebbense alle te samen niet met allen uytgerecht. De gantsche macht en sterckte der werelt heeft sich gewapent om haer te niet te doen: en al het poogen der selver is tot roock verdwenen. Hoe soudense doch van allen kanten alsoo geweldigh besprongen zijnde, eenighe wederstant hebben konnen doen, indiense alleen met menschelicke hulp waer gesteunt 2) geweest? Jae daermede wordt veel meer bewesen datse van Godt haer oorsprongh heeft, dewijl datse niet teghenstaende al het streven en woelen der menschen, nochtans door haer eyghen kracht de bovenhand heeft behouden 3). Hier toe dient oock, dat niet alleen een eenige stadt, niet alleen een eenighe natie te samen ghestemt heeft om haer aen te nemen en te omhelsen: maer datse oock haer authoriteyt en geloofweerdigheydt verkreghen heeft soo wijdt en breedt de werelt gaet door een Heylighe t'samen stemminge A) van verscheyden volckeren, die andersins met malkanderen niet gemeyns en hadden. Voorders al hoewel wy grootelicks bewogen moeten werden door soodanighen over-een -stemmingh van soo veel verscheyden en andersins in alle saken onderlingh verdeelde ghemoederen, dewijl blijckt dat die eendracht niet dan door Goddelicke kracht verricht is, soo verkrijght nochtans die eendracht en over-een-stemmingh een nog grooter 5) ghewicht,. wanneer wy sien op de Godtsaligheydt van die gene alsoo over-een kwamen 6), en te gelijck van den Heere begaeft en gestelt zijn om als lichten aen sijne Kerck glants, klaerheydt en heerlickheydt toe te brengen.

1) Oratenr. 2) onderset. 8) heeft hoven gesweeft.

4) t' aamen-spanninge. 5) groot. 6) dragen.

\ 3. Met hoe grooten gerustigheydt behooren wy dan niet oock met onsen naem er vooruit te komen, dat wy dese \) Leere 2) belijden, dewelcke wy bevestigt en betuyght sien door 't bloedt van soo veel Heylighe Mannen? Sy en hebben sich niet ontsien voor d'eenmael aenghenomene Leere stout en onvèrtsaeght en oversulcks met groote wackerhevdt haer leven tot in de doodt over te geven: hoe souden wy dan dit in ons vinden konnen, dat wy die Leere die door sulck een verzegelingh tot ons ghekomen is, niet en souden aennemen met een vaste en onbe weeghlicke versekertheyt ? Dit en is dan geen kleyne bevesting der Schriftuyre datse door 't bloedt van soo veel getuygen is verzeghelt: voornemelick als wy overdencken datse den doot hebben aengegaen, om van de Leere des geloofs getuygenis te geven, niet door een rasende uytsinnigheyt, gelijck de dwalende gheesten somtijdts pleghen te doen : maer door een stereken en bestendigen en niet

te min rechtmatighen yver tot Godt. Daer zijn noch veel andere krachtige bewijs-redenen door dewelcke de weerdigheyt en majesteyt der Schriftuer tot nut der Godtvruchtigen niet allleen vast ghestelt, maer oock tegen de listen 3) en bedriegherijen der lasteraren seer heerlick beschermt wordt. Maer die even-wel door en van haer selven niet krachtigh ghenoegh en zijn om de Schriftuyre by de menschen gheloofweerdigh te maken, soo langhe als de Hemelsche Vader sijn Godtheydt daer in openbarende, haer eerweerdigheyt niet en stelt buyten alle dispuyt en twijfïelingh. Dien volgens sal de Schriftuyre alsdan eerst tot do salighmaeckende kennisse Godts waerlick genoeghsaem zijn , wanneer hare vastigheydt en sekerheydt door de inwendige aenradinghe des Heylighen Geestes ons sal bevestight zijn. En belangende de menschelicke ghetuygenissen en bewijs-redenen die tot bevestinge van de Schriftuyre dienen, deselve sullen alsdan nut en vorderlick zijn , wanneerse als hulp-middelen onser swackheyt, naest het voornaemste en opperste getuyghnis des Heyligen Geestes volgen en ter tweeder plaetse gestelt en ghebruyekt worden. Maer die allen 4) handelen sonder schick en fatsoen, die daer willen datmen aen nog 5) ongeloovigen sal bewijsen, dat de Schriftuyre Godts Woord is: want dit en wort niet verstaen noch bekent dan alleen door 't geloove. Daerom spreeckt Augustinus recht, als hy seght, dat er eerst G) de Godtsaligheydt en vrede des herten moet gevonden worden 7),

1) oock onse namen te laten aenteeckenen, om die.

2) (te). 3) trecken. 4) [1. 5) den. 6) f 1.

7) voor henen gaen.

Beslnvt, dat alsdan eerst sulcke getuygenissen niet te vergeefs en sullen zijn , als maer de sekerheyt der schriftuyre sal wesen gegrondt in de herten der menschen door de

inwendighe overtuyginghe des Heylighen Geestes.

Sluiten