Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

I. 11. 2.

in de bedriegerijen des Satans verstrickt en gevangen geworden. En wy hebben aireede elders geseyt dat alle de uytvluchten en decksels die de Philosophen bedacht en gevonden hebben, de schuit der afwijckingh soo niet uyt en wisschen, of men siet noch genoeghsaem dat de waerheyt Godts van hun allen is gheschonden en verdorven gheweest. Ilierom Habac. 2. 20. is't dat Habakuk allerley afgoden verdoemt hebbende, vorders gebiedt datmen Godt sal soecken in sijnen tempel, op dat de geloovige geenen anderen in haer' herten en souden in laten, dan die hem-selven in sijn woordt geopenbaert hadde.

liet XI. Capittel.

Pat het onbehoorlick is Gode een sienlicke gedaent toe te eygenen, en dats' in 't gemeen van den waren Godt afwijcken, dewelck haer selven afgoden oprechten.

Godt wortte- -tv jraer gelijck de Schriftuyr, het grove en

gesteit "Ifp0 d™ x v JL ongeleerde verstant der menschen te

alle mcnschen hulp komende, op gemeensame wyse \) pleeght

moghen ver- te Spreken alsoo oock willende den waren Godt

staen, dat by 1 -> , i . i 1 i

alleen een be- van de valsche goden onderscheyden, soo

quaem ghetuy- steldt sy hem voornementlick tegen d'afgoden. selven™11 hem Niet a's 0^se Prees en voor goet hielt, 't geen van de Philosophen met meerder spitsvondigheyt 2) en konst gheleert wort, maer op datse te beter soud' ontdecken de dwaesheyt, ja uytsinnigheydt der werelt, daer mede deselve in d'ondersoeckingh en nae-speuringh Godts omgaet, soo langh als een yeder onder hen aen sijn eygen speculatien en bedenckmghen blijft hanghen. Soo maeckt dan de beschrijvingh , die van den eenighen Godt doorgaens in de Heylighe Schriftuyr te lesen is, te niet allerley Godtheydt, die de menschen door haer eygen goetduncken haer selven verdichten: Want Godt selfs is alleen een bequaem ghetuygh' om van hem-selven getuyghnis te En hy ver- gheven. Hier en tusschen, dewijl dit onse biedt oock met na(,uere ) e schande makende 3) misver-

borden, dat stant de ghemeene werelt hadde bevanghen niemaut en be- datse sienlicke gedaenten Godts begeerden, eenigesieniicke en alsoo uyt hout, steen, goudt, silver en ghedaentevoor uyt andere dood' en verderffelicke stof goden ooge te stellen. maeckten ; s00 moeten wij deze grondt-reden en regel vast houden, te weten, dat d'eere Godts door een ongoddelick leugen geschonden wort, soo dickwils als hem eenige form' en gedaent wort toegedicht. Daerom na dat Godt in sijn Wet hem selven alleen d'eere der Godtheyt toege-eygent en aengetrocken hadde, soo is't dat hy, om te leeren welcken dienst (p. 27.) hy voor goet ként of ver | werpt, terstondt

1) gemeensaemlick. 2) subtijlheydt. 3) beestelick.

daer by voeght: Gy en sult u geen gesneden Ex. 20. 4. beelt, noch eenige gelijckenisse maken: met welcke woorden hy onsen euvelmoed intoomt 1) en breydelt, op dat wy niet en souden ondernemen 2) hem door eemghe sienlicke ghedaent voor te stellen. Hy telt oock kortelick op alle de gestaltenissen door dewelcke de superstity al in voortijden begonnen 3) hadde sijn waerheyt in leugen te verkeeren. Want wy weten dat die van Persië 4) de Sonne hebben aenghebeden.

So veel Sterren als oock de sotte heydenen aen den Hemel saghen, even soo veel goden hebben sy daer uyt verdicht. Daer en is oock by nae geen beest geweest dat d'Egyptenaers niet en hielden voor een af-beeldingh Godts.

De Griecken schenen wijser te zijn als all' T ^"""Xto ander' Heydenen, om datse Godt dienden "*rm' 3S onder de gedaent' eenes menschen. Maer Godt en vergelijckt de beelden niet met malkander,

als of 'teene meer, 't andere min voeghde en schickte : maer hy verwerpt sonder uytnemingh alle beelden, gelijckenissen en andere teeckenen door dewelcke de superstitieuse sich lieten duncken datse Godt by haer hebben souden.

2. Dit kan lichtelick vernomen werden uyt De redenen de redenen die hy by het verbodt voeght. van dit verbodt Voor eerst seght hy by Moses, Gy hebt ®eane"by ^ geene gelijckenisse gesien, ten dage als de Jesaiam en HEERE op Iloreb uyt het midden des vyers £yau1™,;

tot u sprack, wacht u dan wel voor uwe voeght wordt zielen, op dat av u niet en verdervet, ende de Machte van

, * 1 1 I * * 1 * een Heydenseh

maket u yet gesnedens, de gelijckenisse van meusche; ten eenigh beelt, &c. Hier sien wy dat Godt sijn eyndedcafgostemme duydelick stelt tegen alle gedaenten: ^thaè^gheom daer uyt te verstaen, dat van Godt ar- maeckt worde, wijeken alle die geen die sienlicke ghedaenten «ent. 4. 15. van hem soecken. Onder alle de Propheten ie9ai. 40. 18. sal alleen 5) Iesaias ghenoegh zijn, dewelcke <■» ^1. 7. 29. dese sake 6) overvloedigh bevestight, om ™ 46; 5; ons daer mede te leeren, dat Godts Majesteyt door een onhebbelick en ongherijmd verdichtsel 7) mismaeckt wort, wanneer hy die geen lichaem en heeft, die lichamelicke stoffe,

hy die onsienlick is, den sienlicken beelde,

hy die een Geest is, het levendloose schepsel , hy die oneyndigh is een kleyn stuck houts , steens of gouts gelijck gemaeckt wort.

Paulus redeneert 8) oock op een gelijcke wijse ,

seggende: Wy dan zijnde Godts geslachte, Actor, 17. 29. en moeten niet meynen, dat de Godtheyt gout, ofte silver , ofte steen gelijck zy, welcke door menschen konste ende bedenckinge gesneden zijn. Waer uyt openbaer is, dat hem alle beelden die opgerecht, en alle gelijcke-

1) ons' onghebondenheydt toomt. 2) voornemen. 8) begonst.

4) Persen. B) d'eenighe. 6) dit propoost. 7) versieringh.

8) discourecrt.

Sluiten