Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

I. 13. 2.

Als de schrifture leert dat Godts wesen on-eyndigh en Gheestelick is, 8oo en weder leght sy niet alleen de afgoden-dienaers en de dwaeswijse der werelt, maer oock de Manicheen, en Anthropomorphiten.

(p. 36.)

Een korte wederlegginge der Manicheen en Anthropomorphitcn.

hebben. Sou seer lichtelich vervaltmen tot dese sonde, te weten, datmen den grooten hoop deelen doet in datgheen 1), 'twelck Godt met aller ernst voor hem-selven alleen houdt.

liet XIII. Capittel.

Dat van de Scheppingh der werelt aen in de Heylighe Schrifluyr geleerdt wordt een eenigh wesen Godts, 't welck drie personen in sich begrijpt.

T_Tet gheen van t oneyndig en ueestelick JL wesen Godts in de Schriftuyr gheleert wordt, moet niet alleen dienen om de rasernijen des ghemeenen volcks te niet te maken, maer oock om d' onheylighe scherpvindigheden der Philosophen te wederlegghen. Een uyt d'oude Philosophen liet sich duncken dat hy verstandelick sprack, doe hy seyde dat Godt was al 'tgeen wij sien, en al 't gheen wy niet en sien. Maer als hy alsoo spreeckt en gevoelt, soo segt hy eigenlyck 2) dat Godt in yder deel der werelt is uytgestort. En al is't dat Godt om ons in matigheyt en soberheydt te behouden, sparighlick van sijn wesen | spreeckt, soo is't nochtans dat hij door die twee tytelen (oneyndigheyt en geestelickheydt) die ick in t begin ghenoemt hebbe, soo wel alle grove inbeeldingen en gedachten wech neemt, als de vermetentheydt van s nienschen verstandt bedwingt. Want voorwaer sijn oneyndigheydt moet ons afschricken, dat wij hem niet en pogen af te meten na ons sin en gevoelen: en sijn geestelick wesen en laet niet toe yetwes aertsch of vleeschelicks van hem te denken Hier toe dient oock dat hy dickwils betuyght dat sijn woonplaets in den hemel is. Want al hoewel hij, ghelijck hy onbegrijpelick is, oock d'aerde selfs vervult: om dat hy nochtans bemerekt dat onse verstanden van wegen hare traegheyt in d'aerde blijven berusten, soo is't dat hij om onse luyheyt en vadsigheyt 3) uyt te drijven, ons met recht boven de werelt verheft. En hier door wort wederleydt de dwalingh der Manicheen , dewelcke, stellende twee beginselen, den Duyvel bv na Gode ghelijck gemaeckt hebben. Gewisselick dat was d'eenigheydt Godts verbreken, en sijn oneyndigheyt beperken 4). Want dats' eenighe ghetuygenissen hier toe hebben derven misbruyeken, dat quam uyt een schandelick' onwetentheydt: gelijck oock de dwalingh selfs uyt een vervloeckte dolligheydt. d'Anthropomorphiten, dewelcke sich lieten voorstaen dat Godt een lichaem hadde,

1) ghemeyn maeckt dat gheen. 2) versiert. 3) vaddigheyt. 4) inbinden.

om dat de Schriftuyr hem dickwils mondt, ooren , ooghen , handen en voeten toeschrijft, worden oock lichtelick wederleyt. Want wie isser, al hadd' hy maer een weynig verstants, die niet en verstaet dat Godt met ons na eenighe wijse stamelt, ghelijck de voedsters met de kinderen pleghen te doen. En derhalven en drucken soodanige manieren van spreken so seer niet uyt hoedanigh Godt zy, als meer dat 1) sy 2) sijn kennisse matigen en temperen na onse geringheydt. 't Welk niet en kan ghedaen worden of hij moet verre beneden sijn hoogheyt tot ons afdalen 3).

2. Maer hy wijst hem-selven oock aen door een ander sonderlingh teecken, waer door hy noch naerder van ons kan bekendt worden. Want hy verklaert dat hij alsoo eenigh is, dat hy nochtans hem-selven onderscheydentlick in drie persoonen van ons wil aengemerekt hebben. Sodat er, indien wy dese 4) Persoonen 5) niet vast en houden 6), alleenlick in onse herssenen een bloote en ydele naem Godts sweeft 7), sonder den waren Godt. Yorders op dat niemant van eenen driedubbelden Godt en droome, of meene dat het eenvoudighe en enckele wesen Godts door drie persoonen verscheurt wort, soo hebben wy alhier te soecken een korte en klare beschrijvingh, die ons voor alle dwalingh bevrijde. Maer na dien sommige dat woort Persoon hatelick doorstryeken 8), als of het van menschen ghevonden ware, soo moeten wy eerst en voor af bemereken met wat recht en billikheydt zy dat doen. Wanneer de Apostel den Sone Godts noemt het uytgedruckte beelt van des "Vaders Hypostatis, dat is persoon, soo schrijft hy sonder twyfel den Vader toe een bestaen of selfstandigheyt waer door hy onderscheyden is vanden Sone. Want het woordt Hypostatis te nemen voor het wesen Godts (ghelijck als sommigh' uytlegghers ghedaen hebben , even eens als of Christus in hemselven droegh en voor ooghen stelde des Vaders substanty en wesen, gelijck het Was op een zeghel ghedruckt) dat en soude niet alleen hardt maer oock ongherijmt zijn. Want dewiji het wesen Godts is enckel, eenvoudigh en ondeelbaer, so sou men gewisselick niet dan seer oneigenlijk en onghepast, hem, die 9) 't wesen Godts gheheel in hem-selven draeght., en dat 10) niet door deelingh, noch door 11) afvloeyingh, maer in geheel volkomenen sin 12), het uytgedruckte beelt des wesens kunnen noemen 13). Maer om dat de Vader, al hoe-

1) []. 2) (wel). 3) af steygeren. 4) Welcke.

5) (indien wij). 6) (so sweefter). 7) [ ]. 8) overhalen.

9) []. 10) vervat. 11) []. 12) door een geheele volmaecktheydt (die wordt oneygentlick, jae oock onhebbelick ghenoemt). 13) [].

In diteenige Wesen Godts zijn drie persoonen, also nochtans datter geen driederley Godt en zy, en dat oock het

eenvoudigh Wesen Godts door de drie persoonen niet en werdt verscheurt.

Hebr. 1. 3.

Wat het Woordt (Persoon) in desen handel beteeckent: ofte de beschrijving' van dit woort.

Sluiten