Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

M. 8. 16.

Uyt-leggingh van 't eerste gebodt.

Het eynde desselven.

ghehoorsamen, die hy hoort en weet dat 1) van den oppersten Koning voortgekomen is 2): Want gelijck als alle dingen van Hem 3) haer begin hebben 4), alsoo is 't oock billick dat alle dingen haer eynd' en ooghraerck schicken en richten tot sijner eer. Een yeder, segg' ick, moet aenghedreven 5) worden om dien Wetgever t' omhelsen, dewyl hy, gelijck hem dagelijcks geleert wort, bysonderlicken 6) daer toe verkoren is, op dat hij de 7) (p. 144.) geboden van Hem 8) onderhouden | soude,van wiens goedertierenheydt hy 9), soo den overvloedt van allerley goederen, als de heerlickheydt des onsterffelicken levens verwacht 10). Door wiens wonderbare kracht en barmhertigheydt hy bekent uyt de tanden des doodts verlost te zijn.

1b. JNa also 11) de authoriteyt van sijne Wet vast gemaeckt en bevestightte hebben 12), brenght hy alsnu 13) te voorschijn het eerste ghebodt: Dat wy geen andere goden en sullen hebben voor sijn aengesicht. Het eynde van dit 14) gebodt is, dat de Heere onder sijn volck alleen d'Opperste zijn, en sijn recht ten vollen genieten wil. Op dat dit gheschiede, soo ghebiedt hy dat wy verre van ons wech doen sullen allerley godtloosheydt en superstity, daer door d'eer sijner Godtheydt of vermindert of verduystert wordt. En te gelijck beveelt hy dat wy hem door een oprechte betrachtingh der Godtsaligheyt sullen dienen en aenbidden. Dit brengt d'eenvoudigheyt der woorden by nae met sich. Want wy en konnen hem voor onsen Godt niet hebben, of wy moeten te gelijck aennemen 't geen hem eygen is. Dat hy derhalven verbiedt andere Goden te hebben, daer mede geeft hy te kennen dat wy op eenen anderen niet en sullen overbrenghen 15) 't geen hem alleen toekomt. En al hoewel de dingen die wy Gode schuldigh zijn , niet en konnen getelt worden , so sullense nochtans gevoeghlick gebracht werden tot vier hooft-stucken: als daer zijn, d'Aenbiddinge, waer by oock komt als een aenhang'nsel, de geestelicke ghehoorsaemheydt der conscienty: 't Vertrouwen, d' Aenroepingh, de Danckseggingh. Door d' Aenbiddingh verstae ick die eer en dienst, die een yeder van ons Gode geeft, wanneer hy sich

selven onder sijne hoogheydt heeft onderworpen. Daerom segg' ick met recht dat d'onderwerpingh waer mede wy onse conscientien buygen onder de Wet, is een deel 't Vertrouwen, der aenbiddingh. Het Vertrouwen, is die ghe-

Wat het zy Godt hebben, en vreemde goden hebben.

Gode komt toe d' Aenbiddir.ghe.

1) []• 2) te zijn. 3) []. 4) nemen van hem* 5) wech geruckt. 6) sonderlingh. 7) sijne. 8) [ ]. 9) (verwacht). 10) []. 11) [ ]. 12) hebbende (soo). 13) []. 14) des. 15) setten.

rustigheydt onses herten waer door wy in hem gerust en vrymoedigh zijn van wegen de kennisse sijner mogentheydt 1) en kracht: als wy in hem alle wijsheydt, gerechtigheyt, mogentheydt, waerheydt en goetheydt stellende , ons selven door sijn ghemeenschap alleen ghelucksaligh oordeelen. De Aenroepingh, is de toevlucht onser ziel tot Godes ghetrouwigheydt en bystandt als tot d'eenighe schuilplaetse %), wanneer wy met eenige noodt beladen zijn. De Danckseggingh , is de danckbaerheydt waer door hem den lof alles goedts wordt toe-geschreven. Ghelijck de Heere niet en lijdt dat een van dese vier stucken aen eenen anderen soud' op-gedragen werden, alsoo beveelt hv dats' alle te samen hem in 't geheel sullen werden bewesen. Want 't en is niet genoegh dat ghy u selven onthoudt van eenen vreemden of anderen Godt ('t welck sommighe schandehcke verachters pleghen, die 't voor den kortsten en gereetsten wegh houden alle Religien te bespotten) maer ghy moet u oock houden aen desen eenigen. De ware Religy moet voor-gaen, waer door de herten tot den levendighen Godt bewoghen worden, opdat de ghemoederen, met de kennisse van desen Godt 3) aenghedaen zijnde, moghen streven en arbeyden om sijn Majesteyt groot te achten, tevreesen, te dienen, om de ghemeenschap sijner goederen t' omhelsen , om sijn hulp al-om' en over-al te ver soecken, om de voortrefïelickheydt sijner wercken t' erkennen en met danckseggingh te roemen, ghelijck dit in alle de handelingen onses levens het eenige wit en ooghmerek zijn moet. Daer nae moet men sich hoeden voor superstity en valsche Religy, waer door 't ghemoedt van den waren Godt af-gekeert, en hier en daer, gelijck als tot verscheyden goden uytgebreydt wordt. Indien wy derhalven met den eenigen Godt verghenoeght zijn, soo

moeten wy onse gedachten verfrisschen 4) met het geen te voren gheseydt is , te weten, dat alle verdichte 5) goden verre wech gheruymt moeten worden , en dat den dienst die d'eenighe Godt sich selven toe-eyghent, gheensins moet worden verscheurt of ghedeelt. Want 't en is niet gheoorlooft yets, al waer 't noch so kleen, van sijn eer te verminderen , maer al wat hem alleen toekomt, dat moet by hem alleen blijven. De woorden die daer op 6) volghen: Voor mijn aenghesicht, dienen tot vermeerderingh der onweerdigheydt, te weten, dat Godt tot jaloersheydt verweckt wordt, soo dickwils als wy de ghedichtsels onser herten stellen in sijn stede: even ghe-

1) deught. 2) vry-borcht. 3) met welckers kennis de ghemoederen. 4) gedachtenis ververschen. 5) versierde. 6) aen.

d' Aenroeping.

De Dancksegging.welcke deughden door

dit ghebodt werden aengepresen.

Item, den waren Godtsdienst.

Daer en teghen worden verboden superstity, veelheyt der Godc^ en verloocheninge Godts.

Wat dese woorden, voor mijn aenghesicht,betekenc.

Sluiten