Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

trouwen bestaat (i'xo/ufv) en het kan bestaan, omdat God zelf in het werk, dat Paulus mag doen, hem de zekerheid geeft van zijn roeping. Merkwaardig is, dat Paulus hier weer het woord nejtoiürioiq bezigt. Van de zes malen, dat het woord in zijn brieven voorkomt, vallen er vier op 2 Kor. In het algemeen vinden wij in onzen brief krachtige betuigingen van zekerheid, wij denken vooral aan het oïóafitv van 5:1. Dat hangt samen met het karakter van den brief. Tegenover de Judaïsten, die Paulus' werk pogen te vervalschen en een gemeente, die hen niet terstond beslist heeft afgewezen, toont de apostel, dat hij niet in het minst in zijn overtuiging is geschokt. Hij is en blijft de geroepen apostel van Jezus Christus en zijn prediking is de waarheid en niets dan de waarheid. Zoo kan er geen sprake zijn van verandering of gebrek aan moed. Maar aan de andere zijde heeft Paulus er telkens op te letten, dat de Korinthiërs hem niet van hoogmoed of misplaatst zelfvertrouwen zullen beschuldigen. Reeds in 1 Kor. komt dat uit, waar de apostel de hoogheid van het evangelie handhaaft tegenover de heidensche wijsheid en tevens spreekt van zijn eigen zwakheid, 1 Kor. 2 : 3; 3 : 7; in 2 Kor. wordt dit tot een opzettelijke uiteenzetting en is de apostel er bijzonder op uit, om te laten gevoelen, dat hij niets van zichzelf verwacht. Juist daartoe is noodig een uiteenzetting over het verschil der twee bedeelingen, want die doet zien, dat de heerlijkheid van het ambt niet hangt aan den persoon, maar daartoe is ook noodig, dat de apostel, ondanks alle erkentenis van eigen onvermogen, uitspreekt, dat zijn irexoittrjOiq ten aanzien van zijn werk onverzwakt blijft. Hij weet die gewerkt óia tov Xqiotov, vgl. Ef. 3 : 12. is het gewone voorzetsel, dat gebruikt wordt om het werk van den Middelaar en ook van den Tweeden Persoon aan te duiden. Nauwkeurig de kracht ervan te omschrijven, is onmogelijk, we kunnen zeggen: óia geeft de werkende oorzaak aan. Christus, Die Paulus riep, Die hem ook verloste, heeft ook het vertrouwen voor den apostel verworven en het dezen inhoud gegeven. En dat vertrouwen is daarom afdoend, omdat het bestaat 7rQÓc r ov iheóv, in betrekking tot God. God erkent het als waarachtig. Zoo spreekt het jr(iöq xöv &eóv aan de ééne zijde van Paulus' grooten moed, dien hij in Christus hebben kan, het zegt aan de andere zijde, dat zijn vertrouwen het waarachtige is.

5. Vs 5 leert eerst negatief, hoe Paulus het vertrouwen niet opvat. Het is geen misplaatst en te veroordeelen zelfvertrouwen. Oi>x oti, een verkorte uitdrukking voor: wij bedoelen niet, of: gij moet dat niet zóó opvatten 1). Ook wij zeggen: niet

!) Paulus wil dus misverstand voorkomen. De woorden geven geen aanleiding om te meenen, dat men Paulus beschuldigd had niet bekwaam te zijn of de bekwaamheid bij zichzelf te zoeken.

Sluiten