Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bedoelde xvqioc, en nvevfia zonder meer te vereenzelvigen 1), in dat geval immers ware de uitdrukking nvevfia xvqiov onbestaanbaar en aan de andere zijde een bewijs, dat nvevfiu in den vorigen zin met den Heiligen Geest in zeer nauw verband moet staan, want bij jivevfia xvyiov kunnen wij moeilijk aan iets anders denken dan aan den Heiligen Geest. Dat zegt dus ook, dat in den vorigen zin niet de Heilige Geest zonder meer kan zijn bedoeld. Dat tö nvsv/ia xvqiov van den Heiligen Geest moet worden verstaan, leeren zegswijzen als Rvev/xa &eoi>, Ttvev/ua Xqioxov, tov viov xov S-sov, Rom. 8 : g, 14; 1 Kor. 2 : 11, 14; 3 : 16; 6 : 11; Gal. 4 : 6 enz. IJvev/ua xvqiov alleen Luk. 4 : 18 in citaat en Hand. 8 : 39, dat duidelijk herinnert aan 1 Kon. 18 : 12, zoodat in deze uitspraken xvQiog niet zonder meer van Christus mag worden genomen 2). Wel mogen wij er nog op wijzen, dat Paulus Christus en den Geest onderwerp maakt van dezelfde werkingen, Rom. 8 : 9 vlg. Leerde de vorige zin, dat, waar de Geest des Heeren werkt, de wet geestelijk wordt verstaan, thans hooren wij, dat daar de vrijheid is. 'EXev&eQia staat hier absoluut, zonder eenige nadere beperking of aanduiding. Dat komt te meer uit, nu een koppelwerkwoord ontbreekt. Wij zullen daarom goed doen èkev&eQia te nemen in den ruimst mogelijken zin. Uit het verband mag worden afgeleid, dat wij tot haar mogen brengen het vrij zijn van de onderhouding der ceremonieele wet, meer nog het vrij zijn van het onderhouden der wet in slaafschen zin, omdat in de bedeeling des Geestes de wet in het hart is geschreven, kortom de volle vrijheid die in Christus is, Gal. 2 : 14; 5:1, ook de daaraan ten grondslag liggende vrijheid van zonde en dood, Rom. 8:21. In fXev&eQia kunnen wij uitgedrukt vinden het heerlijk voorrecht van de kinderen Gods in de nieuwe bedeeling. Die vrijheid is door Christus verworven, Joh. 8 : 36; Rom. 8 : 2, en wordt door den verheerlijkten xvqio$ door den Geest aan de zijnen geschonken. Zoo klimt vs 17b van het bijzondere, het recht verstaan van de wet, op tot het algemeene, de vrijheid der geloovigen en laat het de voorrechten der kinderen Gods zien, die in het bijzonder in de nieuwe bedeeling worden genoten, genadegaven, waarvan de Joden zichzelf berooven, waarvan de Judaïsten dreigen te vervreemden.

18. 'Hfieiq ó'è Tcdvveq maakt duidelijk een overgang naar

J) Zooals O. Schmitz, Die Christus-Gemeinschaft des Paulus, Gütersloh, 1924, bl. 165 juist wel doet, als hij ró Jtvevpa xvqiov verklaart naar ö xvgiog ró nvevfia êariv. Men moet echter het onduidelijke naar het duidelijke verklaren, niet omgekeerd.

2) Omdat dit zoo zelden voorkomt en op die wijze, hebben wij er bezwaar tegen om met H. Maldwyn Hughes, Expos. Times, 45, S, Febr. 1934, bl. 235 vlg. xvgtoj van God te nemen.

Sluiten