Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

merken, dat Paulus' stijl in 2 Kor. onregelmatigheden vertoont, blijkbaar het gevolg van groote bewogenheid. Daarom onderstellen wij, dat Paulus, nu hij denkt aan de buitengewoon smartelijke gebeurtenis, die hem gedwongen had om bij het tusschenbezoek Korinthe te verlaten, aan zijn betoog geen regelmatigen bouw geeft, doch iets heeft overgeslagen, b.v. dat ik er mij nu over verblijd, dat de toestand is, als die thans is, dat gij rein zijt, bewijst, dat ik vroeger ook goede bedoelingen met u had en dat ik u dus geschreven heb niet uit of met kwade bedoelingen, zelfs niet ter wille van enz., maar ter wille van enz. "EyQatya kan hier geen briefaoristus zijn. Immers van 2 Kor. geldt niet, wat hier van den brief, waarop Paulus doelt, wordt gezegd. Is tyQaxf>a dus historische aoristus, dan kunnen wij weer niet aan onzen 1 Kor. denken, die komt hier ook niet in aanmerking. Van den vóór canonieken brief, 1 Kor. 5 : 9 bedoeld, weten wij heel weinig, maar het is a priori onwaarschijnlijk, dat de apostel over twee andere brieven heen, hier dat schrijven zou bedoelen. Alles past daarentegen zeer goed op den tusschenbrief, van welken wij reeds eerder konden vaststellen, dat hij moet zijn geschreven na het tusschenbezoek, dat zoo teleurstellend was geëindigd. Toen Paulus door zijn persoonlijk optreden niets had kunnen bereiken en de nooden der gemeente hem geen rust lieten, heeft hij haar nog eens vermaand, nu schriftelijk, in een brief. Het was, en wie kan het anders hebben verwacht, een brief in smart en verontwaardiging geschreven, die te Korinthe droefheid had veroorzaakt, maar niet dadelijk tot bekeering had geleid, 2 : 4. Met ei xui geeft Paulus iets toe, wat hij toegeeft staat er niet met zoovele woorden; uit het verband mogen wij afleiden, dat de apostel niet ontkennen wil, dat de tusschenbrief scherp is geweest en droefheid kon brengen, 7 : 8. Maar Paulus heeft niet slechts in het vorige vers van de Korinthiërs kunnen schrijven, dat hun bedoelingen thans zuiver zijn, de zijne waren het ook, toen hij den brief schreef. Hij deed het niet om den aóixrjoaq. Paulus zegt niet meer, dan dat er één persoon was, die onrecht heeft gedaan. Om de redenen, die wij in hoofdstuk 2 hebben gegeven, kunnen wij hier niet denken aan den bloedschender van 1 Kor. 5 en dus bij den t'iéixri&iiq ook niet aan diens vader. Trouwens het bedrijven van bloedschande kan moeilijk door aóixeiv worden aangeduid. Daarentegen pleit er a priori veel voor om in aóixrfiac, te vinden aangeduid denzelfden man, over wien de apostel 2 : 5 schreef. Met volkomen zekerheid is dit niet uit te maken. Maar als wij bedenken, dat ook in hoofdstuk 2 van één bepaalden en toch niet nader aangeduiden man sprake is, dat ook daar de briefwisseling tusschen Paulus en de gemeente wordt genoemd, dat ook daar de zaak naar de geheele gemeente wordt geleid, en dat xu^o^aL, 2 : 10, een aóixtiv onder-

Sluiten