Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

schreven ritueel, zoo vervolgt vs 12, moest nu ook het lichaam van Christus buiten de heilige stad met smaad beladen verbroken worden, terwijl de aanbieding van het heilige bloed van Christus geschiedde in het hemelsch heiligdom, 9 : 11 —14. Nu volgen de woorden, waar het op aankomt: è^eQxwped-a 71 qo$ avtbv t'§(o rijs jiaye/uftoAijq xöv oveióiGfiov avxov <ftQOvreq' ov yciQ è'x°fiev ^(fe fiivovaav jiófav, ak).a xijv /utXXovoctv èTii^rjTov/usv. Wat het kenmerkende is van het uitgaan tot Jezus buiten de legerplaats, wordt door den brief zelf aangeduid als het smaaddragoi, xij$ jiaysfiftoXijs moet met avxóv worden verbonden, daar is Hij — zoo wordt het voorgesteld in de woorden van de wet van Mozes — als gevloekte en versmade. Er is hier dus zeker een opwekking tot de lezers om te breken met den toestand, waarin ze nu zijn, het is een gaan van den stand der eere, naar dien der versmading. Bij Jezus kan alleen zijn, wie Zijn (avxov) smaad wil dragen.

Een en ander wordt nader toegelicht door 11 : 26. Mozes breekt met de heerlijkheid van Egypte om de versmaadheid van Christus op zich te nemen, ook door 10 : 33—35, waar het gaat om smaad dragen ter wille van Christus, om een blijvend goed te verwerven (xQsiaoova, d. i. tot de Nieuwtestamentische bedeeling behoorende vjikq^iv -/.ai fcévovociv). Zoo volgt 13 : 14, we hebben hier geen blijvende stad.

In al deze dingen is van bepaalde breuk met het Jodendom geen sprake.

De tegenstelling is steeds het gemak, dat de wereld aanbiedt, en de versmaadheid van Christus, het eerste zal wegvallen, de tweede brengt blijvend goed. Ook 13: 15 vlg. wijzen in die richting. We kunnen in 13 : 10—14 niet anders lezen, dan dat de schrijver in de taal van de ceremonieele wet tegenover elkaar stelt de eer van dezen tijd, die straks te leur stelt, en het versmaadheid lijden om Christus' wil, dat overgaat in heerlijkheid. Ook het ov tpayelv van vs. 10 krijgt zijn beteekenis. Ons altaar brengt geen voordeel in de wereld, wel schuldvergiffenis. En we komen zoo in de lijn van den geheelen brief, die centraal waarschuwt tegen afval van den levenden God, welke begint met verflauwing en verslapping, we zouden in onze dagen zeggen met verwereldlijking, waartegen ook in het bijzonder hoofdstuk 12 waarschuwt1).

Kunnen we dus in 13 : 10 vlg. niet vinden de vermaning om radicaal met het Jodendom te breken, dat wil niet zeggen, dat we daarom van oordeel zijn, dat Hebr. is geschreven aan heidenchristenen. Daarbij herinneren we, aan hetgeen we vooropstelden, dat het ons onjuist schijnt de kloof tusschen Joden-

Een opwekking om met het Jodendom te breken, zouinhetN.T. ook geheel op zichzelf staan. Wie Christen werd, Jezus van Nazareth hield voor den Messias, den Zoon van God, had principieel gebroken met een Jodendom, dat Jezus verwierp.

Sluiten