Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

2 : 3

geeft te kennen, dat straf naar de wet was, maar dat ook elke overtreding gestraft werd naar haar mate.

3. Stond het zoo in het Israëlietische tijdperk, dan zal moedwillige overtreding in dezen tijd nog veel zwaarder worden gestraft, a/tsXsïv is het opzettelijk verwaarloozen. 11/itlq wordt uitgedrukt, het moet de lezers doen verstaan, wie ze zijn, Christenen der nieuwe bedeeling. 'Ex(psvyeiv staat, zonder dat aangeduid wordt, waaraan geen ontkomen is. Daarmee blijft de schrijver doen, wat hij reeds meer deed in dit gedeelte, n.1. een zeer algemeen woord bezigen. Dat de bedoeling is, we zullen niet ontkomen aan het verlies der üojz>M>i<x, aan het verderf, de Goddelijke fiio&ajtoóooia, is duidelijk, vgl. io: 29; 12 : 25, een enkel èx<fev§óne&u doet deze gedachte sterk uitkomen. ZvittjQia, is de redding of hel heil, het herinnert aan 1 : 14 en is hier gelijk daar en steeds in Hebr. behalve 11:7 te nemen van de volle zaligheid, waarvan Jezus heeft gepredikt en die Hij heeft gebracht, vgl. Jud. : 3. TqhxavTiis vergelijkt niet dit heil met een ander, wil alleen voor den geest roepen, hoe groot het is, zóó groot, als de lezers zelf zeer goed weten *). Van die zaligheid, het heil wordt nu nog nader gesproken. Bepaald op zulk een wijze, dat uitkomt, hoe de lezers er vast staat op kunnen maken, daardoor springt de heerlijkheid der cajTtjQid te meer in het oog, doch blijkt ook, welke groote schade zij zich berokkenen, die haar veronachtzamen. Att/jjv latipdvtiv, een aanvang nemen. De zaligheid is in de eerste plaats besproken, d. i. verkondigd door den Heere. De Middelaar heet hier xi>Qioq. Met xvqioq moet blijkens de Middelaar zijn gemeend, dezen naam heeft Hij in Hebr. slechts zelden. Terwijl Paulus gewoonlijk uitgaat van den Verheerlijkte, gaat onze brief doorgaans uit van den Vernederde. Daarom moet de naam xvQioq, (vgl. 1 :4), die aan de heerlijkheid denken doet, de aandacht vestigen op de heerlijkheid der oojzriQia. Buitendien was het noodig door dezen naam den Middelaar te onderscheiden van de engelen, vooral nu tweemaal 61a, is gebruikt, een ayyeXoq is bode, geen heer. Tov, omdat de Zoon reeds meer dan eens is genoemd. Jezus zelf heeft willen spreken van de acovtjQia. Aia naast iwró vóór rtbv axovodvzwv valt zeker op, het geeft te kennen, dat de ocjTrj(ficc van God afdaalt, Jezus is de Middelaar en'tot het Middelaarswerk hoorde ook de prediking van het Goddelijke heil. De schrijver heeft het hier blijkbaar over Jezus' omwandeling op aarde en de vervulling van het profetisch ambt.

*) Alleen zou men voluit kunnen omschrijven: de ecoxriQLU, die thans zoo heerlijk is geopenbaard, nu niet maar de engelen, doch de Zoon er van sprak, vgl. 12 : 25 vlg.

Sluiten