Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

2:5

is, nu in de nieuwe bedeeling zooveel genade is bewezen.

Wat den vorm betreft, lette men op de veelvuldige allitteratie in deze pericoop.

2 : 5—18. Jezus, waarachtig mensch, verhoogd, vernederd, Zijn volk ten zegen.

5. Blijkens yÜQ is vs 5 een reden. Het als zoodanig te nemen van vs 4 gaat moeilijk. Men zou: niet den engelen kunnen aanvullen uit het vervolg m. n. uit vs 9 en er bij denken: wel aan den Zoon, te meer, omdat dit 1 : 2 en 3 reeds was uitgesproken, dan zegt het vers, waarom toch vooral moet worden gehoord naar de prediking. Toch verklaart dit het verband niet geheel, omdat de gedachte: de engelen staan boven den Zoon, daarom moet de Zoon vooral gehoorzaamd worden, reeds in vs 2 en 3 is gegeven. Men heeft een uitweg gezocht door vs 5 nauw met vs 4 te verbinden en uit het met nadruk geplaatste ccvtov vóór 0-ê).7jaiv af te leiden, dat dit om een tegenstelling vroeg, die dan in vs 5 te vinden zou zijn. Maar ook zóó blijft de verbinding vreemd. Dat God alles naar Zijn wil doet, vraagt niet om een tegenstelling: dat de wereld niet aan de engelen onderworpen is. Men moet er op letten, dat vs 1 —4 is te beschouwen als een toepassing, die het betoog onderbreekt. Vs 5 moet ons weer brengen bij 1 : 14. Daar had de schrijver een redeneering ten einde gebracht, waarin bewezen werd, dat de Zoon volgens de Schrift in heerlijkheid ver boven de engelen staat, terwijl dan vs 14 de plaats der engelen aanwees. Het even onderbroken betoog wordt nu opgenomen door een gedachte, die ten deele in vermanenden vorm al in vs 2 was gegeven. De pericoop 2:6—18 spreekt weer over de heerlijkheid van den Zoon, zegt, dat die heerlijkheid verkregen werd na vernedering, en dat ze daarom juist aan de zijnen ten zegen kon zijn. Deze pericoop is alzoo aan de eene zijde verbonden met het voorafgaande, waarin de majesteit van den Zoon breed werd uitgemeten, wijst aan de andere zijde, door van de vernedering te spreken, uitvoerig naar het vervolg, waarin gehandeld wordt over het hoogepriesterschap van den Middelaar. Nu is de schrijver van onzen brief een meester in het maken van verbindingen. Dat blijkt hier, nu door de engelen te noemen, vs 5 en 16, herinnerd wordt aan hoofdstuk I, waar de majesteit van den Zoon met de schoonste kleuren geschilderd is en daarnaast ook het later te behandelen hoogepriesterlijke werk van den Middelaar reeds even wordt genoemd, vs 17. Tuq herinnert dus aan de plaats der engelen: ze zijn dienaren, niet heerschers, immers onder hen staat de wereld niet. Straks hooren we, dat ze wel onder den Zoon staat, vgl. Matth. 28: 18. Dat dit de gang van het betoog is, blijkt daaruit, dat er nog op andere wijze verband is tusschen 1 : 14 en 2:5. In 1 : 14 was sprake van rovg

Sluiten