Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

2:6

weet op aller instemming te kunnen rekenen, als Hij zegt: Het is in Jezus vervuld en heeft daardoor dan meteen vastgesteld, dat volgens de Schrift de wereld aan den Zoon onderworpen moet zijn, gelijk ze de facto aan Hem onderworpen is. Alzoo blijkt, dat de Zoon volgens Schrift en ervaring boven de engelen verheven is. Dat de schijver dezen weg kiest, heeft nog een bepaalde bedoeling. Hij laat op deze wijze tevens zien, dat Jezus is waarachtig mensch, de waarachtige mensch en heeft daardoor de baan vrij gemaakt, om te gaan handelen over Jezus' vernedering, bepaald ook over Zijn sterven. Aldus is de gang der redeneering, die ook thans weer zeer kunstig verloopt. We kunnen hier echter niet vinden een bestrijding van ergernis, die bij de lezers bestaan zou over Jezus'sterven aan het kruis of zelfs ook over Zijn menschwording. Er is wellicht geen boek der Schrift, dat op de menschelijke natuur van den Heiland zóó sterk den nadruk vestigt als onze brief, maar van bestrijding van dwaalleer op dit punt blijkt niets, daartoe behoeft men slechts Hebr. met Joh. of 1 Kor. te vergelijken. De schrijver daalt langzamerhand van de verhooging af naar de vernedering om van het hoogepriesterlijke werk te kunnen gaan handelen, dat blijkt juist uit deze pericoop. Aief.iv.QxvQa.xo, is een ongewone inleiding op een Schriftwoord. Hebr. bezigt daarvoor niet steeds dezelfde formule, uit 3:7 blijkt wel duidelijk, dat de woorden met zorg gekozen worden. Hier is het niet de bedoeling uit te spreken, dat Ps. 8 een woord Gods is, of een woord van David, maar dat daarin een plechtig getuigenis omtrent den mensch wordt afgelegd. Alle nadruk valt op den inhoud. Het nov (ergens, vgl. 4 :4) xi$ (iemand) ^tycuv wijst in dezelfde richting, het doet er niet toe, waar het staat of wie het gezegd heeft, het gaat om de zekere wijze, waarop de uitspraak is geschied, hetgeen te meer opvalt, omdat op 't eerste gezicht alles zoo heel anders schijnt, als het in den Psalm staat, waardoor aan de andere zijde het feit, dat de plaats in Jezus haar vervulling vindt, weer grooter beteekenis krijgt.

Het is noodzakelijk met een enkel woord te spreken over de beteekenis van Ps. 8. David bezingt in dien Psalm Gods heerlijkheid en dat vooral, omdat God zich in de schepping, bepaald ook in de schepping van den mensch, zoo heerlijk heeft geopenbaard. Nu vallen echter in zekeren zin vs 5 en 6 uit den toon. Men verwacht, dat David na de grootheid van den hemel te hebben bewonderd, de heerlijkheid van den mensch, het hoofd der schepping bezingen zal. Eer David daaraan toe komt in vs 7—9, vraagt hij eerst: wat is de mensch, dat Gij zijner gedenkt en het woord CÜX dat David

bezigt, teekent dien mensch als zwakken sterveling, d. w. z. David denkt hier niet aan den mensch, zooals hij geschapen is, maar aan den mensch, zooals hij geworden is door de

Sluiten