is toegevoegd aan uw favorieten.

De brief aan de Hebreeën en de brief van Jakobus

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het (MtTo/og tot zijn recht, het deel hebben onderstelt iets, dat altijd gemeenschappelijk eigendom is, waarvan elk oogenblik wordt genoten. De xAijaiq is eenmaal in de prediking van het evangelie tot de Hebreen gekomen en komt in datzelfde evangelie nog steeds, vgl. ook 2:3; 4:2. Heel de uitdrukking herinnert aan het vele, dat de Hebreen ontvingen en kan daarom uitnemend dienen als aanspraak in een vermaning. De schrijver wekt de lezers op te letten op Jezus, zoo noemt hij den Middelaar hier, omdat pas van het werk op aarde sprake was en de Middelaar ten opzichte van dat werk op aarde met Mozes wordt vergeleken. Jezus heet axóatoloq xal aQxieQsvq. 'AjióaroAog is in dezen tijd nog niet terminus technicus, het wijst, aan, dat Jezus van God gezonden is (vgl. Matth. 10 : 40; Luk. 4 : 43; Joh. 20: 21; etc.) Hij is de (róv) gezondene1), Die een bepaalde opdracht komt vervullen, 2 : 17. Dat de schrijver Hem aldus noemt, hangt ook weer met het voorafgaande samen, waarin eenerzijds uitkwam, dat het verlossingswerk, het priesterambt, zijn eerste begin had bij den Vader, andererzijds, dat de Middelaar verrichtte ra jiyoq xöv &eóv. Jezus is bovendien de Gezondene, door Wien God tot ons sprak, 1 :2. Ook kq^isqsv^ doet denken, aan hetgeen eerder was uiteengezet. Men kan wel niet zeggen, dat anóaxoXoq, den Middelaar noemt in Zijn verhouding tot God, aQx^QSvq in die tot de menschen, daar een hoogepriester ook een taak heeft te volbrengen van Godswege aan het volk, maar toch is het juist, dat aQ%i£Qev$ meer dan ajtó(fTo?.oq doet denken, aan hetgeen er namens menschen moet worden gedaan. Dat uq^isqsv^ in de tweede plaats komt, kan aanduiden, dat de gedachte in ajtóoro^oc, liggend, waartoe als gezegd ook het spreken van het Woord Gods hoort, I : 2, afgehandeld is, terwijl het volgende uitvoerig zal gaan spreken over het hoogepriesterlijke werk. 'O/ioXoyia, beteekent overeenstemming, dan ook gemeenschappelijke belijdenis. Onzer belijdenis, n.1. Dien wij samen belijden. De gemeente had dus een gemeenschappelijke belijdenis, waarin ze zich uitsprak over de zending en het hoogepriesterlijke werk van Jezus. Of er reeds een vast geformuleerde belijdenis is geweest in dezen tijd 2), kan hier niet worden onderzocht, in elk geval blijkt uit den tekst niet, dat zulk een door onzen schrijver

1) Telkens wordt Jezus in onzen brief geteekend, als Degene, Die het een of andere ambt, werk, roeping xo',z i-yóyr. v vervult. Men denke voorts

aan HliT Jezus de Gezondene, boven de andere, de engelen staande.

2) Een gevoelen, verdedigd door A. Seeberg in verschillende geschriften als: Der Katechismus der Urchristenheit, 1903; Das Evangelium Christi, 1905; Die beiden Wege und das Aposteldekret, 1906. Dat vóór ccQ^ie^ia geen lidwoord staat, bewijst, dat tijg óuo/.oyïa? zoowel met anóoroXov als met ccQ^Lsgéa moet verbonden worden.