is toegevoegd aan uw favorieten.

De brief aan de Hebreeën en de brief van Jakobus

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Woord Gods moeten worden aangenomen. Is, zooals ondersteld werd, ook dit vers citaat, dan zou het kunnen zijn, dat in het oorspronkelijk iets meer stond, dat tusschen vs 12 en 13 iets is weggelaten. Echter werd reeds gezegd, dat het Woord Gods is: God, Die spreekt. God overziet de geheele schepping, de Hebreen mogen niet denken, dat ze zich ergens voor Hem zouden kunnen verbergen. Ook de volgende zinsnede is zeer algemeen. Over is veel te doen geweest,

vast staat, dat het van rQ('(Xrl^o<s, nek is afgeleid en dat de beteekenis — blijkens het eenparig getuigenis van patres en vertalingen — is, open, bloot leggen. Verschil is over de vraag, hoe aan deze beteekenis komt. Evenwel deze

vraag is van ondergeschikt belang en behoeft ons niet uitvoerig bezig te houden x). Ook deze zin drukt weer uit, dat God alles ziet. Alleen komt er nu bij: 71 QÖg ov ij/uiv o i.óyoq. Vertaald kan worden: met betrekking lot Wien we spreken of: tegenover Wien we rekenschap moeten afleggen; met Wien we te doen hebben. In het verband past het laatste het beste 2). 1—14. Ook in dit gedeelte past de schrijver de woorden van Ps. 95 op de lezers toe, maar hij gaat thans wat verder van den tekst af. Het is tevens het laatste stuk van de inleiding, die noodig was, eer over het hoogpriesterlijk ambt van Christus kon worden gehandeld. Het stelt duidelijk in het licht, wat er op spel staat, wat de Hebreen zullen ontvangen, zoo ze gelooven en verliezen, zoo ze ongehoorzaam zijn. Alleen in het geloof zullen ze komen tot een menschwaardig bestaan: het deel ontvangen aan de rust Gods. Ging de vorige pericoop terug tot de laatste bron der zonde, ongeloof en ongehoorzaamheid, hier wordt in aansluiting daaraan het oordeel beschreven, het niet ingaan in de rust. Het vervolg stelt in het licht, dat er slechts één weg is om tot die rust te komen, het hoqgepriesterlijke werk van Christus, vgl. 10 : 19 (het üynvxeq ovv daar is de terugslag op het i'xovzeq ovv van 4: 14, hier de hoogepriester, daar, wat door Hem verkregen wordt).

Uitvoerige aanteekeningen over Tpa^rj/U'fo) bij Alford, Bleek, Delitzsch, Riggenbach e. a. Het woord beteekent in de eerste plaats: hij de keel grijpen. Vermoed is, dat het blootleggen aanduidt óf, omdat de hals van misdadigers bloot gelegd werd bij de te pronkstellmg of de voltrekking van het vonnis óf, omdat de keel der offerdieren achterover gebogen en zoo bloot gelegd werd óf, omdat de huid van het offerdier afgetrokken werd.

2) Vgl. over dit vers: J. Heringa, Opera Exeget. et Hermeneut., 1845, bl. 181 —189. Rekenschap geven, is de opvatting der meeste kerkvaders, o. a. die van een in het Armenisch bewaard op naam van Efraim staand traktaat, waarin Preuschen meende een oud Grieksch anti-Marcionietisch boekje, wellicht van Theophilus van Antiochië te herkennen. Zie Z. N. T. W., 1911, 12, bl. 260.