is toegevoegd aan uw favorieten.

De brief aan de Hebreeën en de brief van Jakobus

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

5:2

bepaald onderscheid moeten worden aangenomen tusschen óatQa en S-vöiai. Op zichzelf zou het laatste woord meer aan bloedige, het eerste aan onbloedige offers kunnen doen denken, maar het spraakgebruik wettigt niet tot een onderscheiding in dien zin, vgl. 8: 4 naast 10 * 4• Houdt men er rekening mee, dat de schrijver vrijwel uitsluitend spreekt van het hoogepriesterlijke offer op den grooten verzoendag, en dat de wet geen onbloedige offers vji'sq afiaqttajv kent, dan kan men bij dcbgcc misschien aan het reukwerk, bij &voiai aan de slachtoffers denken. Veiliger is het de uitdrukking te nemen als aanduiding van het geheel der offers. Ze keert telkens terug, 9:9; zie voorts 8:3. In elk geval blijkt er ook uit, dat het hoogepriesterschap soteriologisch is gedacht1). Uitgangspunt is, wat de Schrift zegt over het hoogepriesterschap van Aaron, vandaar wordt straks opgeklommen tot dat van Melchizedek. 'Tjiéq heeft hier de beteekenis: ten bate van, zóó dat ze verdwijnen, wil men afiaQtiai staat voor uficcQxoloi per metonymiam, vgl. 1 Kor. 15:3. 2. Mex()i(ma&eiv 2) beantwoordt aan övvjia&iioai van 4 : 15, doch het is veel zwakker, het beteekent: matig gezind zijn, d. i. niet bijzonder streng of onmeedoogend. Het ziet niet op het offeren zelf, waartoe de wet verplichtte, maar op de stemming, waarin het offer kan worden gebracht. W aarom de hoogepriester zoo gestemd zijn kan, zal later worden gezegd in den zin met èjiei. Eerst hooren we, tegenover wie hij zoo gezind kan zijn. De uitdrukkingen ayvoovciv en -t).a.va)fxivoiq dienen zeker niet om de zonde te vergoelijken, dat blijkt wel uit het heele verband, dat spreekt van het offer noodig voor de ongerechtigheden. De woorden onwetendheid en dwaling brengen ons — gelijk dat reeds 4 : 15 met aO&évtiai het geval was — naar de Mozaïsche wet met haar onderscheiding tusschen zonden met opgeheven hand, waarop uitroeiing stond, en zonden in onwetendheid bedreven, d. w. z. onopzettelijke, waarvoor het offer werd gebracht, vgl. Lev. 4:3 vlg.; 5: 15; 22 : 14; Num. 15 : 27—29 3). Er wordt hier dus niet gezegd, dat het werk van Christus slechts voor bepaalde zonden beteekenis heeft, alles wat van dien aard is, blijft geheel buiten beschouwing, het gaat om de schriftuurlijke taak van den Oudtestamentischen hoogepriester. Zoo is ook ao&éveia in den causalen bijzin te nemen in dezelfde beteekenis als: 4: 15. Onwillekeurig denken we bij dit alles aan het woord van

1) Vgl. G. Vos, The Priesthood of Christ in the Epistle to the Hebrews, Pincet. Theol. Rev., 5, 1907, bi. 441.

2) Eigenlijk beteekent fiETQLOTta&ilv het midden houden tusschen de Stoïcijnsche ccTtcc&Eicc en het beheerscht worden door de aflecten.

a) Opmerking verdient, dat Pred. 5 : 5 gewaarschuwd wordt een zonde niet te spoedig als onwetendheid of dwaling te beschouwen.