Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

der Doopen, c. q. de leer der Doopen, handoplegging etc., op één lijn gesteld worden met fiexavoia en Tiioxiq. Het fundament zou dus ten deele bestaan uit de zaken zelf, ten deele uit een leer er over. Men ontkomt daar niet aan door op te merken, hetgeen op zichzelf juist is, dat fiexavoia en iöxiq doorgaan, terwijl Doop en handoplegging slechts eens plaats hebben. Want avaaxdaeutq en xQifiaxoq kunnen bezwaarlijk over een genet, óidazfjq heen, weer direct met 9 f(ié}.iov verbonden worden. Dan komt nog vreemder

in het midden te staan. Bij 9-e/iékiov past een verklarende genetivus óiócixn? slecht, omdat het leggen van den grondslag, althans wat den leeraar betreft, zelf reeds leeren is. Dat iSióa%i)v dióa%ïiq werd is gemakkelijk te verklaren door invloed van de genetivi, die hier verder staan.

Bij 9-sfiti.iov komt een appositie 6i6ay^\v, men kan ook zeggen, dat zeugmatisch xaxapaZ&ófievoi tevens bij óióa/r[v genomen wordt. In het eerste geval wordt verklaard, dat tot den grondslag ook behoort de leer over den Doop etc., in het tweede, dat op de eerste fiexavoia en Ttiaxiq onmiddellijk volgde het onderricht over. Het verschil is niet groot, de tweede opvatting is beter, de schrijver zegt dan, dat er eerst fiexavoia aizó (Hand. 8 : 22) en itiaxis, ènl (Hand. 16 : 31) was en dat daarop volgde onderwijs over den Doop, de handoplegging, de opstanding en het oordeel. In geen geval verklare men óióayjiv als bijstelling zóó, dat de grondslag van bekeering en geloof de leer der Doopen, enz. is, dat geeft geen goeden zin. De verklaring, die óióaxfjg leest en het als genetivus evenzeer als /ian;xi<jfid>v en èitiS-éoemq van fbefié^iov laat afhangen, komt, omdat ze den gang van het betoog breekt, evenmin in aanmerking als de vertaling leerdoopen (zie b.v. AlforÖ). Moeilijk is de pluralis panxiOfiibv. Hem op verschillende in het Jodendom voorkomende reinigingen te laten zien gaat ondanks 9 : 10 moeilijk. Want al heeft onze brief het telkens over de vervulling der Oudtestamentische schaduwen, de verklaring daarvan behoort zeker niet tot de beginselen. Aan den Doop van Jezus en dien van Johannes te denken, heeft ook zijn bezwaren, omdat dit niet twee Doopen zijn doch één en dezelfde, vgl. Komm. Matth., bl. 45. Dat er overal driemaal ondergedompeld of besprenkeld werd (Did. 7, 3), kan niet bewezen worden en fianxiOfióc, moet hier wel in technischen zin d. i. van de gansche Doopshandeling worden genomen. Aan verschillende Doopsvoltrekkingen te denken, belet èni&éaeiog (enk.) %ei(i<ï>v. Het beste zal zijn {SajixiOfióbv te laten slaan op den waterdoop, die gevolgd werd door den Geestesdoop1).

*) De uitlegging van 1 Kor. 15 : 29 is nog onzeker. Stond vast, dat het daar om den bloeddoop ging, d. w. z. het martelaarschap, dat voor ongedoopten tevens tot Doop diende, dan kon aan waterdoop en bloeddoop gedacht, in verband met Hebr. 10:32 vlg.

Sluiten