Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

9: 13

van ajio).vTQ<o0iq, vs 15, het is eigenlijk loskoop en het loskoopen beteekent bevrijden. Er is hier wel van een Jlvtqov, een losprijs sprake. Christus geeft zichzelf in den dood. Maar de vergelijking wordt niet zoover doorgetrokken, dat we hooren, aan wien de prijs werd betaald. Dat er een loskoop moest zijn, wordt verklaard door 2 : 15 (tvo%oi óovXeiaq). De schrijver heeft nu op vijf punten een tegenstelling aangegeven tusschen het werk van Aaron en dat van Christus. De cxrivri, het ccifia, het aantal malen, dat het heiligdom betreden werd, de ciyia, de i.vvQwOig, alles is anders en daarom staat het priesterschap van Aaron als het voorloopige tegenover het volmaakte van Christus.

13. Daarmee was nu de gang van het priesterlijke werk van Christus beschreven, van het komen in de wereld tot het bereiken van het doel. Nu volgt een redeneering, die laat zien, dat het werk van Christus geen mindere vrucht kon hebben dan een aivtvia Xvzgwoiq {ytxQ). De redeneering gaat a minore ad maius. Als reeds in den ceremonieelen eeredienst dit en dat bereikt werd, wat moet dan niet door Christus worden bereikt! Opgemerkt dient, dat ook hier de schrijver alleen vraagt, wat het offer qua talis bracht n.I. Levietische reinheid. Over de geestelijke beteekenis spreekt hij niet en kan hij niet spreken, omdat ze juist in het geheele verband tegenover het O. Tische offer als de vervulling daarvan wordt voorgesteld. Eerst is sprake van het bloed van bokken en stieren (weer staan de bokken, het offer voor het volk, voorop, doch i. p. v. fióo%oq, vs 12, is nu xavQo§ gebruikt, wel omdat steeds mannelijke dieren geofferd werden), het offer van den grooten verzoendag. Daarnaast is sprake van de reiniging, die naar Num. 19 zij hadden te ondergaan, die een doode hadden aangeraakt en daardoor ceremonieel onrein waren geworden. Er moest een roode vaats geslacht woiden volgens

bepaalden ritus en de asch, (voor oitoóóq ontbreekt het lidwoord, wel omdat er telkens van de asch, d. i. asch genomen werd), die na verbranding overbleef, werd bewaard en nadat er levend water op gedaan was, gebezigd om de door een doode ritueel onrein gewordenen (vovg x£%oivo>[iêvov§) te zuiveren door besprenging (gavzi^ovaa). Men moet roiig xsxoivofièvovs object laten zijn van yavzi^ovoa niet van ayia^ei, want: 1) staan dan de twee ceremoniën, die van den grooten verzoendag en die van de reiniging naast elkaar, 2) met het bloed van den verzoendag werden de onreinen niet besprengd, 3) op deze wijze valt alle nadruk op het absolute iiyitc^ei. 'Pavzi^ovoa valt op, het aschwater wordt gesprengd, maar toch besprengt zij zelf, als zij druppelsgewijze aanraakt. Deze besprenging bereikt, dat ceremonieele reinheid werd verkregen, men mocht weer in het heiligdom komen, Num. 19 : 13, maar ook niet meer, dit ligt uitgesproken in jiqö$ (met het oog op) zijv zfj$

Sluiten