Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

9: 14

als na xata, 7 : 16, van spreekt, doch van nvsvfia. Ze verklaren ook, dat onder nveiifia niet kan worden verstaan een bijzonder soort van spiritueel leven, zonder meer. Trouwens zulk een leven zou in èavvóv begrepen zijn en dus zijn geofferd, het zou begrepen zijn in het subject vó al/ua. Het nvevfui karakteriseert het JtQoaipéQsiv, maakt het, tot wat het is. En zoo kan het zijn, omdat dit nvevfia dat zeer bijzondere is, dat Jezus van anderen onderscheidt. Aiójvio; is juist in onzen brief 5: 9; 6:2; 9: 12, 14, 15; 13 : 20, het Goddelijke in onderscheiding van het menschelijke, dat voorbij snelt en verandert. De schrijver gaat met Ttvevfia aiüviov wel van het menschzijn uit, maar er ook achter terug, laat zien, dat Christus meer dan mensch is, Gode gelijk. Hij kan sterven en leven. Het Zoon van God zijn is weer de achtergrond (vgl. xara óvvafiiv axaxakvzov 7 : 16). Met een en ander is

tevens gezegd, dat het xQotKpéQeiv met het sterven niet is afgeloopen. Ook het leven heeft er mee te maken. Jezus treedt als hoogepriester voor den Vader, vgl. vs 12. Daarom kan Hij ook het werk voor de zijnen voortzetten in het évtvy%avsiv, vgl. 7 : 25, dat ook met het altijd leven in verband staat. Daarom is Zijn priesterschap in wezen hemelsch. 'Eavvóv doet zien, dat to aificc aan het begin wil zeggen: de overgave van het leven door geweldadigen dood, Christus geeft zichzelf geheel en volkomen, kan dat ook daarom doen, omdat Hij voldoet aan de voorwaarde, die aan het offer gesteld moet worden, Hij is a/uofioq onberispelijk. Het offerdier moest onberispelijk zijn. Er is geen mensch zonder zonde, doch Christus kon zich cifiofioq offeren. Dan brengt Hij het offer rechtstreeks aan God. Ook hier is het weer als in vs 12, er is gedacht aan het zich overgeven van Christus aan het kruis en het treden voor den Vader in den hemel en het verband tusschen die twee kan in de termen van den ceremonieelen eeredienst niet volledig worden uitgedrukt, vgl. bij vs. 25. In Lev. 16 lezen we, dat op den grooten verzoendag de hoogepriester zelf rund en bok moest slachten en hun bloed in den eigenlijken tabernakel brengen. Zoo offert Christus zich zelf op aarde en gaat Hij door Zijn bloed den hemel binnen1). Al de woorden zijn er op gericht de grootheid, het bijzondere van het offer van Christus aan te geven. Zulk een offer kan niet werkeloos zijn. Juist omdat er een Jivsv/ia aiótviov achter staat, het zich niet bepaalt tot het kosmische, het vleeschelijke, kan de vrucht van dit offer meer zijn dan een ceremonieele, vleeschelijke reinheid, meer dan van het groote offer op den verzoendag en het gewone reinigingsoffer en zal

*) Vgl. G. Vos, Princet. Theol. Rev., V, 1907, bl. 603. Zie ook J. Moffatt, Expos. Times, 28 (1917), bl. 565: het Sia nv. al. maakt, dat het offer van Christus valt in de absolute werkelijkheid.

Sluiten