Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

9: 16—17

de voorrechten van Israël, maar over het onvolkomene der oude bedeeling tegenover de volkomenheid der nieuwe. KaXéo> is uit het testament te verklaren, dat met een eisch kwam, maar daarbij ook een belofte had, dat laatste staat hier op den voorgrond. Het beloofde goed heet aitbvioq xkriQovofiia. De genet, hangt af van ènayyeXiav en zegt, waarin het beloofde bestaat. Het beeld van erven is reeds eerder door den brief gebezigd, vgl. i : 14; 6: 12, 17. Het duidt aan de zekere wijze van in bezit krijgen, maar roept ook sterven voor den geest. Daarom paste de uitdrukking in dit verband, voor wat elders b.v. ooJtriQia heet, de eeuwige zaligheid, maar laat ze ook weer zien, dat — want dit sterven doet pas Christus — ze ook den geloovige van den nieuwen dag betreft. Aiótvioq herinnert aan vs 14, ook de x}.rjQovo/u.icc gaat boven het menschelijke uit, is van Gods zijde gewaarborgd in haar onvergankelijkheid.

16. Vs j6 geeft een algemeen geldige uitspraak, die ieder dadelijk zal toestemmen. Zoolang de maker van het testament nog leeft, beteekent het testament niets. Niet, omdat het nog veranderd kan worden, maar omdat het nog niet uitgevoerd wordt. Een testament krijgt pas beteekenis, als de maker is gestorven. 'Avdyxij drukt dat uit, voor den dood is het om zoo te zeggen geen testament. &£Qeo&ai, kan verklaard worden naar 2 Joh. : 10 (pég&iv, een leer brengen, d. i. berichten. In dezelfde lijn ligt ft-dvavov tpigeiv, dood aankondigen. Gelijk vs 15, staat &dvazoq zonder lidwoord, het komt op den aard van het verschijnsel aan.

17. Vs 17 gaat op dezelfde wijze verder. Dat de schrijver deze aan ieder bekende dingen breed uiteenzet, doet zien, hoeveel hij er aan hecht, dat goed verstaan zal worden: het gaat hier om een testament en de dood van Christus is noodzakelijk, waarborgt tevens, dat het een echt testament is, maakt zeker van de vervulling der beloften. Ook vs 17 heeft yiiQ, er wordt een reden van het avayxtj in vs 16 gegeven. IlcfJaioq, geldig, vgl. 2:2; Ignat., Ad Smyrn., 8, I. 'Etci vezQoiq, eigenlijk: bij lijken, d. i., als er dooden zijn. 'Ext ziet als 8:1 op de aanwezige omstandigheden. 'Exel ftrt Jtoxs, daar toch nooit. De ontkenning fir/ valt op, ze zal moeten uitdrukken: daar toch nooit te vreezen is, dat kracht heeft, d. w. z., daar toch nooit kracht kan hebben, § 3401). Er een vraagzin van te maken, gelijk wel beproefd is, gaat bezwaarlijk en evenmin kan de lezing ftij roze, die eenige getuigen hebben, worden aanvaard. Zoolang de testateur nog

1) In later Grieksch is in] in causale bijzinnen niet ongewoon, zie

Kühner—Gerth, II, 2, bi. 188; Radermacher, bl. 171. Er is ook verwantschap met de voorwaardelijke zinnen; als de testateur nog leeft, heeft het testament geen kracht, vgl. § 277 en § 34of.

Sluiten