is toegevoegd aan uw favorieten.

De brief aan de Hebreeën en de brief van Jakobus

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

9:23

en uit de bedeeling der schaduwen. De volgende pericoop brengt als gezegd de uitgewerkte toepassing. Over de óicc9-r'jxtj spreekt onze brief nu feitelijk niet meer. De plaatsen, waar ze nog genoemd wordt, zijn herinneringen aan het voorafgaande (10:16,29; 12:24; !3: 20)- Uitgaande van het hoogepriesterschap van Christus is de schrijver bij de óiad-rjxti gekomen, 7:22; 8:6. De dia&rjxri staat achter het hoogepriesterschap, gaat er mee samen, laat zien, dat het naar Gods wil is en zeker doel zal bereiken. Nu dat in het licht gesteld is, kan de schrijver zich in het vervolg tot het hoogepriesterlijk werk in het bijzonder, zijn hoofdonderwerp bepalen.

9 : 23—28. De volkomenheid van Christus' offerdood.

23. In de vorige pericoop heeft de schrijver gesproken over Christus' dood. Doch hij heeft dien dood niet in de eerste plaats als offer bezien, doch hem vooral in verband gebracht met de óiaO-r/xri en in het licht gesteld, dat hij de geldigheid dier óiafrijxri waarborgde. Evenwel, dat is niet het eenige, wat van Christus' dood moet worden gezegd. Christus' sterven is een deel van Zijn priesterlijk werk, bepaald ook van Zijn vervullen van de orde van Aaron. Vs 11 trad Christus voor ons als de tiQxieQevq x<bv ysvoftévutv aya&ójv. Dat Hij dit priesterwerk vervulde naar een óiaOrjxi], geeft ergroote vastigheid aan, over den aard van het priesterwerk was echter nog nader te handelen, met name ook over het offer. Dat gaat de schrijver nu doen, ovv wijst er op, dat het vorige pericoopje bepaald ook vs 21 en 22 even wordt saamgevat, doch dat iets anders volgen gaat. Wel wordt nog over Christus' dood gesproken, maar thans over den dood als offer, gelijk Hij dat als priester bracht en het offerkarakter van den dood, dat vs 11 en 12 was aangeduid, wordt nu nader ontwikkeld.

Tjióóeiyfia diende ook 8:5 om de verhouding aan te geven, waarin de tabernakeldienst op aarde staat tot den waren in den hemel. Er wordt onder op de aarde iets getoond, dat het hemelsche afbeeldt. Hier heeten nu de voorwerpen van den eeredienst op aarde vxoóeiyfiaxa, afbeeldingen, van wat er in den hemel was, bedoeld zijn naar vs 21 de oxrivij en ■xüvxa ra axsvtj rijg XsirovQyiag. De pluralis vovzoig valt op, daar toch aifia is gemeend, ze is of genomen van de reinigingen der afzonderlijke oxevri, van navva vs 22, of veroorzaakt door het volgende ■O-vaiaiq. Reiniging van den tabernakel c.a. is noodzakelijk (avayxrf) 1), hij kon als voortgekomen uit een

2) Men zou geneigd zijn bij cciidyxrj te denken iariv, wijl de schrijver in het vorige betoog, al wat de Schrift omtrent den taoernakel zegt, in het praesens plaatst. Evenwel dat meer uitvoerige betoog over den tabernakel wordt in deze pericoop niet voortgezet, ze draagt een ander karakter, spreekt negatief van den O. T. eeredienst en positief van het