Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

órfog ons baande, steeds op den weg tot God doet wandelen, vg'- 7'• 25! w'e d°or Hem d. i. ook langs den door Hem ingewijden weg, tot God gaat, redt Hij, d. i. doet Hij het doel bereiken. Zie ook Joh. 14:6. KavajitvaOfia was 6: 19 en 9: 3 het voorhangsel vóór het heilige der heiligen. Omdat onze plaats daarop terugslaat, zal ook hier aan het tweede gordijn moeten worden gedacht, waarbij echter de opmerking dient herhaald, dat de schrijver bij het hemelsch heiligdom niet onderscheidt tusschen heilige en heilige der heiligen, feitelijk is er dus slechts één voorhangsel. Dat hier van voorhangsel wordt gesproken, sluit zich aan bij ayiotv, bedoeld is wat in de hemelsche realiteit was, hetgeen door het voorhangsel op aarde werd afgebeeld. Nu wordt die realiteit aangeduid door tovt' i'oviv rrjq (JaQxóq avtov, d. w. z. het vleesch van Christus is datgene, dat het toegaan in het hemelsch heiligdom belet x). Er staat niet, dat Zijn vleesch Hem den toegang belet, doch ons (y/ilv). Alle verklaringen, die hier op neerkomen, dat Jezus met Zijn „aardsch vleesch" niet paste in den hemel, of dat Hij eerst dat vleesch moest hebben gehad om in den hemel te komen (in strijd met 12:2), zijn daarom a priori af te wijzen. Wel valt op, dat de schrijver zegt <x«(>£ niet öüfia, d. w. z. niet het organisme, doch de stof is bedoeld (vgl. 2:14 en 5:7). Verder weten we, dat naar het oordeel van onzen brief de ongereinigde Cvveidrioiq, de zonden beletten tot God te naderen (vgl. vs 22). De zonden, die van God scheiden, vinden hun afbeelding in het voorhangsel, dat het heilige der heiligen afsluit. Daarom zoeken we de verklaring in de lijn van 1 Petr. 2 : 24, (c/iaQTÏaq tj/uójv ccvto^ avïivsyxev èv tw CatfictTi avrov fjcl zó §vXov, hetgeen te meer voor de hand ligt, omdat Hebr. 9 : 28 evenals Petrus ter a. pl. Jes. 53 : 12 citeerde. Als het offer dus sterft, sterft het beladen met de zonden, zoo doet het inderdaad Jezus, vgl. Hebr. 9: 26. Misschien ligt nog duidelijker het verband tusschen het vleesch van Christus en de zonde 2 Kor. 5:21: rov fiij yvóvvcc afiaQviav vx'hq rifiwv a/uaQviav èitoiriGEv, vgl. ook Rom. b: 10; 8:3- Zoo vinden we hier de meening, dat, zooals het voorhangsel op zijde moest op den grooten verzoendag, opdat de priester in het heiligdom zou kunnen gaan, zóó het vleesch van Jezus, waarin Hij de zonde droeg, op zijde moest, d. i. verbroken moest worden, (óia locaal te nemen), opdat daardoor eerst Hij zelf, dan de zijnen den hemel zouden binnengaan. Men denke ook aan het scheuren van het aardsche voorhangsel bij Jezus' sterven, Matth. 27:51. Op den grooten verzoendag

1) Hoewel het een goeden zin zou kunnen geven met A. Seeberg

z0cc Qv.0c avtov op bdov te laten slaan, is dat onmogelijk, omdat de genet, op den genet. Y.uTUTt£tae\LaTOS moet zien.

Sluiten