Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

brief, hij heeft haar tevens naar verschillende zijden uitgewerkt en toegelicht.

HOOFDSTUK XI.

II ; i—40. De kracht des geloofs.

1. Aan het slot van hoofdstuk 10 stond ii/ueZq èo/iev niatsoq eig nsQinoiriaiv rpvyjtq. Wanneer daarin het kenmerk lag uitgesproken van de Christenen, dan bleek, van hoe groote beteekenis het geloof is. Het is, alsof de schrijver een oogenblik twijfelt, of dit wel algemeen en voldoende wordt ingezien. Althans eer hij het betoog voortzet, (hetgeen eerst 12:1 vlg. geschiedt), laat hij door herinnering aan de Oudtestamentische vromen uitkomen, wat het wezen en tevens hoe groot de kracht van het geloof is, (vgl. 6 : 12, fiifirixal r<x>v óia jiioreatg xal fiaxQO&vfiiaq xXriQOvofiovvzviv rag éxayyeAiag). Hoofdstuk 11 is dus een intermezzo, maar toch een der schoonste gedeelten van Hebreen. En de bedoeling is, nadat eerst gezegd is, wat het geloof is, in het leven der oude vromen, van wie men moest aannemen, van wie de Schrift soms zegt als bij Abraham, vgl. 6 : 1 ; 10 : 22, dat ze geloof bezaten, te laten zien, dat het inderdaad is, wat vs 1 aangaf, maar daardoor dan ook, hoezeer het op het geloof aankomt, wat in het geloof kan worden volbracht. Wat de beroemde mannen en vrouwen der oude bedeeling beroemd maakte, werd gedaan alleen in het geloof (vgl. vs 2). Wie caput 11 leest, moet tot de overtuiging komen, dat het geloof van allesbeheerschende kracht en beteekenis is en het: wij zijn van het geloof, zal hem daardoor duidelijker worden, maar hij zal er ook naar staan om bewust, meer en meer te gelooven, om toe te nemen in het geloof en alle ongeloof te laten varen, 12:1 vlg.

Daarmede is dit Schriftgedeelte tevens geplaatst in het geheel van den brief. De zonde der Hebreen was lauwheid, ze liepen gevaar om af te vallen. En als oorzaak van dien afval was vroeger uitdrukkelijk ajtiozia genoemd, 3:12, 19, vgi. ook 4:2. Tegenover den wortel van de zonde, stelt de schrijver het geloof.

In de tweede plaats komt daardoor ook duidelijk aan den dag, wat de schrijver onder het geloof verstaat. Er is gestreden over de vraag, of 11 : I mocht worden opgevat als een definitie van het geloof x). Die vraag is in zooverre van weinig beteekenis, omdat we dan toch in elk geval hier niet zouden vinden een begripsbepaling, van hetgeen de Dogmatiek onder

i) Vgl. J. A. C. van Leeuwen, Geref. Theol. Tijdschr., 24, 10, Febr. 1924, bi. 412.

Sluiten