is toegevoegd aan uw favorieten.

De brief aan de Hebreeën en de brief van Jakobus

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

11:3

als op hel gebied van, vgl. i Tim. 5: 10. Taq, want, dat het geloof is, als juist omschreven werd, blijkt daaruit, dat de ouden, van wie vaststaat, dat ze geloof hebben, van wie de Schrift het soms zegt. Gen. 15:6, die zekerheid hebben getoond. Dit ytxQ laat zien, wat het vervolg bedoelt. De schrijver gaat uit van het soms in het O. T. vermelde, soms onbestreden vaststaande feit, dat de ouden geloof hadden en stelt in het licht, dat dit geloof zich openbaarde als vnóovaois en i'i.tyzoq. EfiaQTVQti&Tioav, van hen is een getuigenis gegeven, n.1. in de Schrift. Hetgeen de Schrift ons aan verheffends, (vgl. de beteekenis van /laQtvQtoi Luk. 4:22; Hand 10: 2), van de ouden voorstelt, ligt op het gebied van het geloof en bewijst, wat het geloof is. Oi JtQsa^vxeQoi, vgl. Matth. 15:2; Mark. 7 : 3 en 5, algemeene aanduiding van de oude Israëlieten. Oi noemt hen als de alom bekenden en gewaardeerden. 3. Eer de schrijver tot de ouden komt, spreekt hij van zichzelf en de lezers, wij. De groote daad Gods van de schepping wil hij niet voorbijgaan, al is over de aanvaarding daarvan in het geloof in de Schrift niets vermeld. Zelfs de ouden zijn bij die schepping niet tegenwoordig geweest. Hier staan allen gelijk. Doch, dat we een schepping aannemen — en wie twijfelt er aan, hier is groote zekerheid — is alleen door het geloof, aan hetgeen de Schrift er van openbaart. De scheppingsdaad is een ov pkexófievov, dat alleen kan worden aanvaard in het geloof. Het geloof richt zich steeds op het Woord Gods. Vs 3 geeft een argumentum ad hominem; een van de dingen, die onomstootelijk voor ons vaststaan, de grondslag aller dingen, kennen we door geloof. Dat laatste ligt in nioxsi voov/isv, het is een vórjai^, een kennis, die verstandelijk wordt verwerkt (hetgeen nog niet begrijpen inhoudt), maar die alleen mogelijk is door geloof, daar iust ze op. Gelijk vs 1 zonder lidwoord staat, zoo staat het ook in de volgende verzen steeds zonder lidwoord vooraan. Aan de eene zijde kan dat, omdat Jiiariq, als het onderwerp, dat hier behandeld wordt, bijna de kracht van een eigennaam heeft verkregen. Aan de andere zijde gaat het niet om een bepaald geloof, maar juist in het algemeen om geloof als hoedanigheid; de bepaling ligt in vs 1, verder wordt het zoo algemeen mogelijk genomen. Voor aiwv zie bij 1 : 2, de biief denkt ook hier aan de wereld, gelijk ze in den loop der eeuwen bestond, gelijk ze nog bestaat. KazriQxio&ui (trjfiari &eov, de daad Gods is een spreken, het gaat hier niet om den inhoud, vgl. lóyoq, 4:12 en 2 Petr. 3 : 5, maar om het feit, dat God zich bij de schepping openbaarde op een wijze, die in ons spreken het best wordt afgebeeld en die de wereld toebereidde, in 01de bracht. Vgl. Ps. 74 : 16 LXX. Juist bij aiatveq is xaxaQvii^ui op zijn plaats. Eiq ró kan een finalen zoowel als een consecutieven zin inleiden, § 321. Finale beteekenis kan hier