Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

11 :23-26

doch Egypte hem den voorspoed had gebracht en hij ongetwijfeld in het land der eere een prachtige begrafenis had. Kanaan had voor hem ellende beteekend, hij had het slechts bij Jakobs ter aarde bestelling weergezien. "E^otfoq is wel de staande term voor den uittocht, het tweede boek van Mozes had reeds dezen naam. Mvtifiovevo) 7t£Qt, melding maken van. Jozef spreekt eerst over het volk en brengt zijn eigen zaak in die van het volksgeheel. Hij houdt vast aan het niet geziene. En zijn geloofswoord was daarom niet het minst van beteekenis, omdat het voor het volk een herinnering bleef aan het land, dat God hun had toegezegd. Niet Jozefs gebeente, maar het feit, dat Israël blijft leven bij de belofte, is het voornaamste. Daarom gaat het bij Izaak, Jakob en Jozef om KanaJin en in Kana&n om den Christus.

23. Uitvoerig wordt over Mozes gesproken. Hij is na Abraham de grondlegger van het Israëlietisch volksbestaan en in verband daarmede is zijn leven zeer bijzonder. Het begint al dadelijk bij de geboorte, toen Mozes zelf nog geen bewuste geloofsdaden verrichten kon. Toch is Mozes, om wien het te doen is, hier reeds onderwerp van den zin. rsvvtj&sis, onmiddellijk na zijn geboorte. naréQeq, staat meer voor ouders. Exod. 2 : 2 wordt in den Mass. tekst van een daad van Mozes' moeder gesproken, de LXX echter, waaraan Hebr. zich houdt, heeft: ttfóvrfg — èöxéxaöav. Als reden wordt opgegeven, reeds in het O. T., dat Mozes aaxeloq was, Stefanus zegt Hand. 7 : 20 zelfs aoxsïoc, r<ï> Bedoeld moet wel zijn, dat Mozes' ouders iets bijzonders in hem zagen, iets waardoor zij meenden te ontwaren, dat de Heere voornemens met Mozes had. Daardoor ook kan van een geloofsdaad worden gesproken, waarin het bevel des konings werd getrotseerd (xal ètfo^tj&ijaccv is vervolg van den hoofdzin, hangt niet af van <fión). Dat Mozes straks toch in de rivier geworpen wordt, doet die eerste geloofsdaad niet te niet, reeds daarom niet, omdat Mirjam over het jonkske moet waken. Ze blijven verwachten en hopen, vgl. vs I.

24, 25, 26. Nu gaat het om Mozes zelf. Méyag yevófievoq, naar Exod. 2:11, en hier wel geschreven om in tegenstelling met vs 23 aan te geven, dat Mozes, toen hij volwassen was geworden en zelf handelde, voortging in het geloof, waarmee zijn ouders over hem hadden gewaakt. Van een bepaalde weigering lezen we in Exod. niets, maar het gedrag van Mozes, zijn begeerte naar het volk Gods beteekende een bewuste (rjQvrjOazo) en besliste weigering. En daartoe gaf alleen het geloof de kracht. Aéyec&ai, te gelden voor. Bij viöi S-vyarQu^ 'Pagccói ontbreken de lidwoorden, wel niet om te zeggen, dat Farao nog meer dochters had en die eene dochter meer zonen, het gaat om de kwaliteit: een zoon van een dochter van een Farao. Welke overweging Mozes daarbij leidde, volgt.

Sluiten