Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

13:5

noemen van o<btua de aanleiding werd, om juist hier de vermaning over het huwelijksleven in te lasschen. In het eerste lid van vs 4 kan als copula èoxiv of eaxco worden gedacht, met het oog op n stolt?] a/tiiavzoq is het tweede beter. Met xi{iio§ wordt bevolen, dat allen (tv tzüöiv wel niet neutraal: onder alle omstandigheden, want dat behoefde er niet bij te staan — al heeft vs 18 èv 7iaoiv neutraal — doch masc.: bij allen zonder eenig onderscheid van leeftijd, geslacht, positie) het huwelijk in hooge waarde zullen houden en met aftiavvog gewaarschuwd tegen de hoererij. Deze samenvoeging, gelijk ook de zin met yÜQ, die volgt, leert, dat de brief hier ter plaatse geen ascese bestrijdt, als 1 Tim. 4:3 is bedoeld. Hebr. wil, dat het huwelijk alzóó in waarde zal zijn, dat de huwelijkstrouw niet wordt geschonden. Het huwelijk is geen onbeteekenende zaak, het is ri/uioq, daarom geen ongerechtigheid! Wie zich aan de vermaning niet stoort, die moge hooren, dat God jióqvoi, overspelers in het algemeen, en echtbrekers, gehuwde mannen, die zich met een andere vrouw afgeven, oordeelen zal. Dat Jodenchristenen zulk een vermaning niet noodig zouden hebben (R. Perdelwitz, Z. N.T.W., XI, 1910, bl. 120) is pure gissing, wat weet men van het leven van Jodenchristenen te Rome?

5. Ontucht en gierigheid worden niet zelden in hetzelfde verband genoemd en verworpen, het achtste gebod volgt op het zevende. Evenals in vs 4 denke men ëaxot ondersteld. O zqójioq, hier de geheele levenswandel, al de gedragingen, die zich niet door geldzucht mogen laten beheerschen; het gaat dus om gezindheid zoowel als om daden. Het participium ciQy.ovfievoi kan wellicht door een imperativus worden vertaald, zooals met een participium, verbonden aan een imperativus (hier dan kozvi), mogelijk is, § 306. In elk geval hebben we hier een constructio ad sententiam, de plur. masc. is ontstaan, doordat de vermaning zich richt tot de Hebreen. Wil men niet als imperativus vertalen, doch: doordat gij u tevreden houdt met wat ge hebt, dan komt het feitelijk op hetzelfde neer. /'' TwtQÓvxa, hetgeen voorradig is, aanwezig is en dus gebruikt kan worden. Men kan hier in het bijzonder denken aan de verbeurdverklaringen, 10 : 34. Een vermaning om niet geldgierig te zijn is wel gemakkelijk te geven, maar als iemand nu in nood is? De schrijver herinnert aan een Schriftwoord. Avxoq, § 204, Hij n.1. God, vgl. 1:13; 4:3 en 4; 10:9, waar zelfs een pronomen ontbreekt 1). God spreekt in de Schrift tot de Hebreen om hun zekerheid te geven. Geciteerd wordt Deut. 31:6 (8), alleen is de 3e persoon veranderd in

^ *) Volgens Delitzsch a. 1. komen in het na-Bijbelsch Hebreeuwsch NIH en ,j»V voor als mystieke Godsnamen.

Sluiten