Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

evenals de tijden behoorlijk onderscheiden. Zelfs vinden we dingen, die op zekere kunstvaardigheid wijzen. M. n. moeten hier genoemd de vele woordspelingen of aaneenrijgingen van zinnen door herhaling van hetzelfde of een verwant woord. Zoo I : I xaiQeiv — 1:2 xuqó.v ƒ1:4 XeiTtófisvoi — 1:5 i.sijiszai; 1 : 12 xsiqixGhóv— 1 : 13 jteiQa^ó/ievoq; 1 : 21 i.óyov — 1 : 22 Xóyov; 4:14 (faivo/iévrj — a<pccviZ,ofiivrj. In 3 : 14—18 hebben we een rythmisch gebouwd betoog, dat eindigt aó taxQixoq, avvnóxQizo^. In 2:4 lezen we een woordspeling óisxQi&tjze—xyizai óia).oyiOfiatv; 3:7 en 8 vinden we hetzelfde verbum in praesens, perfectum en aoristus; 3 : 6 part. praes. act. en pass.; I : 24 aTteXriXvfrsv— txel.d&ezo. In 1 : 17 vinden we een hexameter (slechts een tribachys in den tweeden voet), of dit een citaat is of onwillekeurig zoo door Jakobus geschreven, is niet uit te maken. Voor het laatste kan pleiten, dat de bedoelde woorden het onderwerp vormen van een zin, die geheel past in het verband. De brief is voorts rijk aan kleurige beelden. Allitteratie: 1:2; 1:25 .(*«<?«-); 3: 2; 3 : 5; 3 = 8; rijm: 1 : 6; 1 : 14; 2:12; 3 : 17; 4:8.

Al deze dingen zijn kenmerken van goede taal. Dat het schrijven van een dergelijk Grieksch niet tegen het auteurschap van Jacobus pleit, werd reeds eerder opgemerkt. Ten overvloede kan hij zich de hulp van een Hellenist hebben verzekerd. Er is te meer reden om aan Jakobus te blijven denken, omdat er bij het goede Grieksch weer genoeg is, dat den geboren Semiet doet vermoeden. In de eerste plaats wel het herhaalde parallellisme, de echt Oostersche beeldspraak, de voorbeelden uit het Oude Testament. Dan verder blijft de stijl eenvoudig, is hij niet rhetorisch, heeft een Oudtestamentische kleur. Daarmee staan in verband allerlei Bijbelsche of Semietische uitdrukkingen: 3:9 tv; 1:25 axQoaztjq èxü.rjOfiovïjs; 2:4 XQital öiaXoyiGfióiv jtovrj(t<x>v; 3:6 o xÓGfio^ xijq aórxiaq; 5:17 tiqogsvxv 7tQo0r]v§az0, dan verschillende uitdrukkingen uit de LXX: jiqóöwxov Xa,updv£iv, vgl. 2:9; xoieiv D.soi; 2 : 13 etc. In het algemeen het veelvuldig gebruik van noieiv, J-a/upaveiv, è'xeiv, öiöóvai. Misschien staat hiermede in verband het gebruik van enkele wat plechtig klinkende woorden: Ü7toxvt(o 1 : 15, 18; óeXeat,<0 1 : 14; xaz7j<psia 4:9. Merkwaardig is, dat woorden als nl.ovcioq, jieiQccGftóg, Gotpia, niet altijd geheel dezelfde bjsteekenis hebben. Eigenlijke perioden zijn zeldzaam, feitelijk alleen 2:2—4; 2 : 15 — 17; 4: 13—15- Genetivi absoluti, acc. c. inf., optativi ontbreken. Sommige zinnen zijn hard I : 17; 1 : 23; 3 : 12; 4:5, 6; 4: 17 x).

i) Men zie vooral het breedvoerig betoog bij Mayor, On the Grammar of St. James, en Farther Remarks on the Grammar and style of St. James, bl. CCVI—CCLIX.

Sluiten