Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

1 :15-17

keur. Vooreerst, omdat xeiQa^etai het voorafgaande opneemt, vervolgens omdat de participia nader omschrijven, hoe de. zonde tot stand komt. De èxi&v/iia haalt den persoon uit het goede, door hem een aas voor te houden. We zijn op het terrein van het tiende gebod. Vs. 15 leert, dat reeds de èni&v/jLia zelf als zondig is gedacht.

15. E'ixa, er is een zeker doorgaand proces. De reeds vs 14 gepersonifieerde è7ii&-vfiicc wordt nu voorgesteld, als de barende vrouw. Er staat niet, van wien ze ontvangt, wellicht is gedacht van den TteiQccöfióq. Dan zou uit de verbinding van tcsiquO/iós met zondige reactie a/uaQxia ontstaan, dat is hier de daadzonde. Denkelijk is het echter beter de vraag, van wien de èniS-v(.iia ontvangt, niet te stellen, Jakobus spreekt er niet over en we zouden de vraag op nieuw moeten stellen bij a/uccQxicc, waar ze blijkens anoxeXea&eïGK buiten den gezichtskring valt. In elk geval late men de èxi9-v(iia niet ontvangen van den wil, zij zelf behoort tot het terrein van den wil. Daarbij is het goed nog op te merken, dat het in dit verband niet gaat over het ontstaan van de eerste zonde, maar om wat er telkens in het leven der menschen voorvalt. Ook is er geen strijd met Rom. 7:7 en 8, want tot den zondigen mensch komt de wet als een verzoeking, juist omdat de mensch verdorven is. Alleen heeft Jakobus èxi&vfda meer van den boozen lust, de verdorvenheid in het algemeen, Paulus meer van den bepaalden lust tot een bepaald door de wet verboden kwaad. Jakobus leert dus ook niet, dat de èm&vfiia geen zonde is, (c/iccqtïcc is h. 1. zondige daad. Ook de (»/, de genoemde) zonde gaat, als ze het hoogtepunt bereikt heeft, als ze in haar laatste stadium is, het leven der menschen beheerscht (axoxskeo&eioa) zwanger (ajioxvécu, of de jongere vorm anoxvu>, is wel synoniem van xixxut, in ajió ligt het laten gaan van de vrucht, Moulton en Milligan, s. v.) en wel van den dood, d. w. z. daar loopt ze regelmatig op uit1). Met 9-avcexog moet in dit verband (vgl. vs 12) de eeuwige dood zijn gemeend. Evenals afiaQxiav mist S-c'cvaxov het lidwoord, het gaat telkens om het karakter. Vgl. voorts Matth. 7 : 13 en 14; Rom. 6:21—23.

16. Weer gaat de gedachtengang in ietwat ander spoor, maar overigens is het algemeene verband weer duidelijk. Verzoeking komt niet van God, het is een dwaling dit te meenen, van God komen slechts weldaden. Mij nXavaafbs, dwaalt niet langer, § 258, 2, blijkbaar bestonden er wanbegrippen. Naast de vermaning drukt fiov hyctxrjxoi teederheid uit, de waarschuwing zal er te gemakkelijker door worden aanvaard.

17. Vs 17 heeft den vorm van een dactylischen hexameter met een tribrachys in den tweeden voet. Of dit opzet is, d. w. z.

i) Over „kettingreeksen" als deze zie Dibeiius, a. 1.

Sluiten