Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

5:7

plan Gods, achter de zichtbare feiten, dat uitgevoerd zal worden. Het geheele stuk herinnert sterk aan de Oudtestamentische profetieën en draagt dan ook een profetisch karakter.

5:7 —11. Vermaningen om ie verdragen.

7. Aan het slot van den brief vinden we een aantal vermaningen, over het geheel nog korter dan de besprokene, soms toch weer met voorbeelden uit het O. T. toegelicht, alle blijvende in den stijl van het voorafgaande, omdat ze alle komen tot menschen, die in druk verkeeren en hun voorhouden, hoe ze in zulke omstandigheden zich moeten gedragen. Ovv in vs 7 wijst wel allereerst naar 5 : I—6, waarbij /uaxQO■9-vf/rjOcrcs de toepassing geeft, maar heeft toch in zooverre ruimer beteekenis, als Jakobus nu aan het slot nog eens in meer algemeene woorden zijn lezers aanwijst, hoe hun leven behoort te zijn. MaxQO&vfieïv is tegenover het actieve vnojutvetv het passieve, dulden, lankmoedig zijn. Ook het volgende beeld bewijst, dat we hier in een ietwat anderen gedachtengang zijn, dan 1 : 2 vlg. Daar ging het om den wasdom van het geloof, om de inwendige geestelijke activiteit, hier moet Jakobus toestemmen, dat de lezers niet bij machte zijn tot daden, die tegen het doen der onderdrukkers ingaan, dat hun niet anders overblijft dan te verduren. Men zou dan ook te veel uit deze plaats afleiden, indien men Jakobus hier in het algemeen passiviteit onder uitwendigen druk liet prediken. Eer is de bedoeling: — ook weer blijkens de voorbeelden — de lezers ontvangen verdrukking uit de hand des Heeren, zijn niet bij machte zich van den nood vrij te maken, maar mogen leven in de zekerheid, dat God weldra komt om te verlossen. Ovv duidt in de eerste plaats aan, dat het oordeel der rijken nabij is, daarom kan worden opgewekt het nu nog even uit te houden. IlaQovoict xov xvqïov nemen we in dit verband liefst van het ingrijpen Gods, waardoor Hij de rijken veroordeelt en niet van de wederkomst van Christus, want 1) heeft ittiQovaia in het N. T. nog niet altijd de technische beteekenis van wederkomst *), zoodat het verband over de beteekenis moet beslissen; 2) spreekt het voorafgaande niet van het komen van Christus, maar in het algemeen van het

') Vgl. b.v. Joh. Weiss op 1 Kor. 15 : 23; Windisch op 2 Kor. 7:6; dan De Verwachting der Toekomst van Jezus Christus, 1907, bl. 192 vlg. Over de vraag, of Jakobus hier en vs 8 de parousie van Christus nabij acht, zie a. w., bl. 125 vlg. Dibelius geeft plaatsen voor het gebruik van ïtuQOvalcc bij het Hellenistische Jodendom, die ook wijzen in de richting van een niet bepaald eschatologisch op te vatten komen Gods. Men zie ook E. H. van Leeuwen, De parousie-verwachting in het N. T., 1898, bl. 43 vlg. v. Leeuwen zelf stelt onzen brief kort vóór de verwoesting van Jeruzalem en wil aan die verwoesting ook hier denken.

Sluiten