is toegevoegd aan uw favorieten.

De brief aan de Hebreeën en de brief van Jakobus

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

5 : 18

het gebed van Elia zulk een uitwerking hebben kon. Nu is echter eigenaardig, dat we van een dergelijk gebed van Elia in i Kon. 17 en 18 niets lezen. Wel staat er 1 Kon. 17: 1 in de LXX, die Jakobus gebruikt, o 'iGQui/Ji <'0 Ttaotozt\v tvümov avzov, vgl. 1 Kon. 18:15; Jerem. 15:1, doch dat spreekt nog niet van gebed. Men zou aan het gebed van

2 Kon. 18:36 en 37 kunnen denken, maar dat is niet een gebed om regen. Tot dusver is nergens een bericht aangetroffen, dat bepaald van bidden van Elia om droogte of regen spreekt. Toch kan Jakobus ook niet als vanzelf sprekend aangenomen hebben, dat Elia bij deze gelegenheid, gelijk bij andere, bad, vgl. b.v. 1 Kon. 17 : 21, want dan zou aan het betoog alle kracht van bewijs ontbreken. We moeten aannemen, dat Jakobus een traditie heeft gekend, die sprak van gebed en dat hij die traditie ijkte door haar in zijn brief op te nemen, maar ook, dat die traditie algemeen bekend en aanvaard was. Een tweede moeilijkheid levert de uitdrukking fviavroys /ui/vaq e§. In het O. T. vinden we de uitdrukking niet, alleen 1 Kon. 18: 1 tv tcj èviavt<]> toj tqït(d. Daarentegen Luk. 4 : 25 i-.x'i i'rrj xqlu xal firjvaq é'§. In de Joodsche litteratuur lezen we verschillende berichten. Rabbi Jochanan f 279 kende een traditie, dat de droogte 18 en een andere, dat ze 14 maanden geduurd had. Meerdere plaatsen wijzen in dezelfde richting. Waarschijnlijk moet men het getal 3V2 jaar niet pressen, behoort het tot de z.g. „ronde getallen", waarbij een deel van een dag, maand of jaar wel voor een vollen dag enz. gerekend wordt. Deze opvatting vindt daarin steun, dat in de Joodsche litteratuur

3 /2 jaar meer voorkomt als aanduiding van een geruimen tijd, zooals wij zeggen: het duurde een eeuw, wat in wetenschappelijke taal een periode van ± 100 jaar, in de volkstaal een periode van soms maar enkele minuten kan aangeven. Bij de Joden is s1/^ iaar m. n. vaak de duur eener periode van ramp en tegenspoed1). Jakobus noemt Elia av&Qwjioq ofioio.TaO-i'/i;. Elia stond bij de Joden in hooge eer, behoorde tot de groep, waartoe Abraham en Mozes werden gerekend, vgl. Sir. 48: 3. Men kon meenen, dat hetgeen Elia bereikte, voor anderen onbereikbaar was. Daarom ófioio^aO-rj^ ijiu.lv, een mensch, die hetzelfde ondei~oond als wij, precies als wij, Hand. 14. 15. Wat hij kon, kunnen wij ook. Hier dringt zich op nieuw de gedachte naar voren, dat Jakobus wel het oog

l) Men zie voor een en ander vooral Strack—Billerbeck, a. 1., dan de Commentaren van Mayor, Ropes. Voor ronde getallen G. Kittel', Rabbimca, 1920, waar onze plaats bl. 31 vlg. is besproken. Vgl. nog voor 3/2 jaar als duur van rampen: Dan. 7:25; 12:7; Openb. 12:14. Indien het zoo staat, behoeft men de vraag, ivaar de drie en een half jaar beginnen te tellen, vgl. 1 Kon. 18 : 1, niet te beantwoorden.