is toegevoegd aan uw favorieten.

Inleiding in de zielkunde

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

schelijk geheel. De totaliteitsgedachte moet bij het psychologisch onderzoek steeds een leidend principe blijven.

2. Geschiedenis der zielkunde.

Er is in de oudheid over het wezen en de krachten der ziel zeer veel nagedacht. Dat geldt niet alleen van de Grieksche wereld, maar elk volk dat begon zich te bezinnen over de vragen van leven en wereld, kreeg als het ware vanzelf te doen met het groote vraagstuk van de menschelijke ziel. Wat is eigenlijk die menschelijke ziel, waar komt ze vandaan, wat zijn haar vermogens, en waarheen gaat zij, wanneer het lichaam aan den dood ten prooi valt? Op deze vragen hebben de meeste volken een antwoord gezocht, en het zou de moeite waard zijn deze antwoorden eens met elkaar te vergelijken. Zulk een onderzoek valt echter stellig buiten het bestek van deze studie, zoodat wij daarvan moeten afzien. Wij kunnen niet anders dan hier en daar een enkelen greep doen.

Reeds in het oude Egypte waren allerlei gedachten over het wezen der ziel m omloop, en heerschte een sterk besef van de onsterfelijkheid van den mensch. Toch was de gedachte van het geheel eigen karakter van het psychische in onderscheiding van het stoffelijke, nog weinig doorgedrongen. Datzelfde geldt trouwens van de meeste volken. De meeste volken stelden zich de ziel voor als een wezen dat wel niet stoffelijk was m den groven zin, maar toch ook weer niet geheel onstoffelijk. Het was iets schimmigs, iets van fijne, aetherische stoffelijkheid, meer ongrijpbaar meer mysterieus. '

Toch ontbrak het hier en daar niet aan diepzinnige beschouwingen. Vermeldenswaard zijn hier b.v. gedachten die in het oude Indië over de ziel geopperd werden. Indië kwam reeds vrij vroeg tot de overtuiging dat de ziel als zoodanig een bijzonder hoog en edel wezen is. Zij is anders dan al het andere, kleiner dan een gerstekorrel en eigenlijk ook weer grooter dan alle werelden. Deze ziel (Atman, Purusha) is als het ware gevangen in de stoffelijke verschijningswereld, en lijdt daarom een gerekkig, kwijnend bestaan. Door de aanraking met die stoffelijke wereld zoo leerde een van de groote wijsgeerige scholen in Indië, ontwaken allerlei psychische krachten, zooals de rede (Boedhi), het ikbeginsel (Ahankara) en verder allerlei lagere krachten. Deze krachten zijn op zichzelf als het ware geworteld in de materie, ze zijn ook gericht op de materie, en daarom eigenlijk alle misleidend. Wil de ziel komen tot de e vrij ding dan moet zij zich van al deze psychische vermogens losmaken en zich inkeeren tot wat zij rein in zichzelf is. Dan zal zij bemerken dat zij in diepste wezen geheel andersoortig is, dat zij ver boven de stoffelijke dingen verheven is, en een eeuwige bestemming bezit. Eigenaardig is hierin dat deze school dus practisch alle psychische verschijnselen uit de materie laat opkomen. De ziel zelf is wel de oorzaak dat zij ontstaan, maar zij is niet de drager ervan. Zij staat er zelf buiten, zij is rein en heilig. In het menschelijke leven speelt de ziel dan ook alleen de rol van den onzichtbaren toeschouwer op den achtergrond, zij doet het niet, maar zij