Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Telkens zien wij weer voorwerpen, en wij zijn overtuigd dat het die voorwerpen zijn die wij beoordeelen en kennen. Toch leert ons reeds eenvoudige overweging dat wij altijd voor bewustzijnsbeelden staan, dat al die beelden in mijn ziel zijn, en dat ik de eigenlijke voorwerpen nooit ontmoet. Het ware bij wijze van spreken zeer goed mogelijk dat die kast niet bruin en niet vierhoekig enz. was, maar zoo lang onze voorstelling van die kast zoo blijft als ze nu is, laat ons de eigenlijke kast volkomen onverschillig. Of liever, de werkelijke kast kan ik nooit zien, nooit ontmoeten, ik kan alleen het psychisch beeld dat ik me van haar vorm beoordeelen.

Zoodra wij eenmaal voor deze onderscheidingen de oogen geopend hebben — zoo redeneert men verder — komen wij terstond voor verschillende vragen te staan. Waar komt die noot van werkelijkheid vandaan? Hoe kom ik er toe de bewustzijnsbeelden onmiddellijk naar buiten te werpen, te beschouwen als adaequate aanduidingen van de werkelijkheid? Hoe is het mogelijk dat ik voortdurend het besef heb alsof ik rechtsstreeks in rapport sta met de werkelijkheid, terwijl ik geheel en al over het hoofd zie dat het alleen mijn afbeelding van de werkelijkheid is die ik ontmoet? Hebben wij die noot van werkelijkheid alleen bij gewaarwordingen, of ook bij voorstellingen, hallucinaties, droomen enz.? Is het niet mogelijk dat de geheele wereld zelf niet anders is dan een geweldige phantasie van mijn bewustzijn, die ik alleen buiten mij denk, en die toch niet buiten mij is? Aan alle kanten staan wij hier voor problemen die van zeer verre strekking zijn voor onze levens- en wereldbeschouwing.

Nu spreekt het vanzelf dat wij op al deze vragen niet diep kunnen ingaan. (Zie § 47 over: Het bewustzijn). Wij zijn hier immers niet bezig met de bestudeering der wijsbegeerte, maar met de overweging van zielkundige vraagstukken. Uiteraard moeten wij ons dan ook tot de zuiver zielkundige zijde van al deze problemen zorgvuldig beperken.

Allereerst moeten wij hier zuiver onderscheiden. De tallooze gewaarwordingen die ieder moment op ons aandringen, worden niet alle opgenomen. De opmerkzaamheid kiest nauwkeurig uit welke van belang moeten geacht worden. Die gewaarwording nu, die door de opmerkzaamheid in het bewustzijn getrokken wordt, wordt op hetzelfde oogenblik afgerond in de apperceptie. Zij smelt samen met allerlei indrukken van vroegere gewaarwordingen, ze wordt opgenomen in het geheele verband. Dit geschiedt zoo snel en ongemerkt dat wij geen onderscheid maken tusschen de eigenlijke gewaarwording en de in de apperceptie aan die gewaarwording toegevoegde factoren. Wij vatten het geheel op als gewaarwording. Wanneer wij nu dit complex van eigenlijke gewaarwording en apperceptie als geheel de conceptie noemen, komen wij tot dit resultaat dat de geheele conceptie door ons betrokken wordt op de werkelijkheid. Wij beschouwen haar als een aanduiding van de werkelijkheid, of nog beter: wij vereenzelvigen haar met de werkelijkheid. Het ontgaat ons dat de werkelijkheid nog weer daarvan kan onderscheiden worden.

Deze daad nu, waardoor wij onze concepties spontaan en onmiddellijk betrekken op een werkelijke wereld buiten ons, wordt veelal genoemd de acte der intentie (Brentano, Meinong e.a.), of intentioneele acte. Zonder die acte hebben wij te doen met psychische inhouden, bewustzijnsbeelden, na haar en door haar krijgen wij te doen met voorwerpen.

Sluiten