Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Een mensch wien het aan deze intentioneele acte ontbreken zou, zou ook wel allerlei beelden in zijn ziel hebben, beelden van boomen en huizen en andere menschen enz. Hij zou echter al die dingen doorleven als een phantasie, het zou hem wezen alsof dat alles alleen maar in zijn brein omspookte. D'e gedachte zou in hem te vinden zijn dat de heele wereld zelf niets anders dan een gedachte was, dat hij het zich maar zoo voorstelde. Het was een aaneenrijging van beelden waaraan geen stoffelijke werkelijkheid beantwoordde. Hij zou zijn wereld-conceptie aanzien zooals wij onze phantasiebeelden aanzien, duidelijk beseffende dat ze alleen maar in onze ziel zijn. Kortom, de wereld zou alleen in hem bestaan, maar niet vóór hem, als een objectieve wereld.

Door de intentioneele acte wordt de wereldgedachte tot wereld. Door haar worden wij van droomers tot bewust levende menschen. Door haar komen wij buiten onszelf uit, klimmen wij uit het subjectieve op tot het objectieve, uit het psychisch doorleven tot de buiten-psychische werkelijkheid.

Bij het spreken over deze intentioneele acte moeten wij voor allerlei misverstand op onze hoede zijn. Zoo heeft men veelal getracht na te gaan op welke gronden, uit welke motieven de ziel haar voltrekt. Welnu, deze gedachtengang, deze geheele vraagstelling is al eenigermate onjuist. Zij gaat er immers van uit dat de intentioneele acte iets aangeleerds is, iets dat wij na logische beredeneering voltrekken, en daarom iets secundairs. Zoo mogen wij het evenwel niet beschouwen. De intentioneele acte geschiedt zuiver spontaan, niet op grond van logische discussie, maar intuïtief, van stonde aan, zoodra de gewaarwordingen den mensch bestormen.

Dat neemt niet weg dat er wel tal van verschijnselen zijn die de kracht van deze acte voortdurend versterken. Vooral de behoefte aan de wereld, de begeerte naar spijs en drank, de afhankelijkheid is het, die als onwillekeurig allen twijfel aangaande het werkelijke bestaan in ons wegneemt. Toch treedt deze macht eerst later op, wanneer reeds eenige reflexie is voorafgegaan. Het beste doen wij wanneer wij ervan uitgaan dat oorspronkelijk de ziel volkomen vertrouwend zich aan de gewaarwordingen overgeeft, en dat de gedachte geen oogenblik in haar opkomt of zij zelf niet al die beelden schept.

Andererzijds mogen wij onze oogen er niet voor sluiten dat lang niet bü alle menschen en alle volken de intentioneele acte met dezelfde kracht gevonden wordt. Niet iedereen beseft de werkelijkheid van de wereld met sterke intensiteit, er zijn velen die misschien nooit boven het stil vermoeden uitkomen dat zij alleen maar droomen, en dat wanneer zy eenmaal ontwaken zullen, zij zullen bevinden dat het heel anders is dan wij hier het ons voorstellen.

Dit in te zien kan ons ten zeerste te hulp komen in de beoordeeling van de verschillende godsdiensten en systemen van wijsbegeerte. Het feit b.v. dat in de oude Veda-literatuur keer op keer de gedachte voorkomt dat wij deze wereld moeten aanzien als een droom en verblinding, en dat de zonde in het wezen der zaak niet anders is dan een reusachtige zinsbegoocheling, waaraan wij zoo snel mogelijk ontkomen moeten, wijst er wel op dat bij die volken de op de werkelijkheid gerichte, intentioneele acte lang niet zoo krachtig functioneert als bij ons. Wij, Westerlingen,

Sluiten