Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zij het ook dat wij die invloeden vaak ternauwernood bemerken. Het is zelfs de vraag of een voorstelling ooit zoo diep wegzinkt dat ze haar inwerking op het associatieproces ten volle verloren heeft. In alle geval moeten wij de mogelijkheid openlaten dat zelfs bij de voorstelling z de nawerking van a nog meespeelt. Hier betreden wij het eigenaardig terrein van het onderbewuste, dat wij wel nooit rechtstreeks kunnen beschouwen, maar waarvan wij de inwerking toch heel gemakkelijk kunnen aantoonen. In elke associatie werken twee factoren, de directe bewuste inhoud en het onderbewuste. Het onderbewuste is als het ware de klankbodem, die aan eiken toon zijn eigen nuance verleent. In alle geval mag als vaststaand worden aanvaard dat niet alleen de directe, bewuste inhoud invloed np de psychische processen uitoefent, maar dat ook de onderbewuste inhouden blijvende nawerking vertoonen.

Door James waren deze gedachten niet alleen reeds voor langen tijd naar voren gebracht, maar hij was het ook die op de onschatbare beteekenis van deze verschijnselen de aandacht gevestigd heeft. In tal van korte en kernachtige spreuken heeft hij het groote gewicht ervan met onafwijsbare zekerheid aan het licht gebracht. „Wanneer een oogenblik geleden de inhoud a levendig opgewekt werd, en daarna b en nu tenslotte c, is het totale bewustzijn van dit moment niet alleen voortgebracht door de opwekking van c, maar ook door de verstervende natrillingen van a en b." (Principles of Psychology I p. 242). Hieruit trok James ook de gewichtige conclusie: „Ieder tegenwoordig associatie-proces dat zich in mij voltrekt, is een totaal, waarin een alziend oog zou kunnen aflezen mijn geheele voorbijgegane geschiedenis." (Idem p. 234). Niets dat wij ooit verrichten wordt ooit uitgewischt (Idem p. 127), het gansche verleden dragen wij in ons mee, en het werkt voortdurend na in de gedachten en voorstellingen die wij elk moment koesteren.

Dezelfde denkbeelden werden in eenigszins anderen vorm ook met nadruk gepredikt door den Franschen wijsgeer en zielkundige Henri Bergson. Ook hij was ervan overtuigd dat in het psychisch proces het verledene nooit geheel weg is, dat altijd van het voorbijgegane nog een flauwe nawerking ondervonden wordt. Wij zijn geneigd, zoo beredeneert hij, ons het verledene voor te stellen als liggende naast het heden, wij stellen ons den tijd voor als een rechte lijn, waarbij alle punten naast elkander liggen. Deze voorstelling is evenwel ten eenenmale foutief, berust op een verwarring van tijd en ruimte die ontoelaatbaar is. Het verledene ligt niet naast het tegenwoordige, maar ligt in het tegenwoordige. In het moment van het nu sluimert al weer het zoojuist, in het bewustzijn dat ik thans heb, ligt als een kiem besloten het bewustzijn dat ik enkele momenten geleden had. Door dit zuiver te stellen, door tijd en ruimte zuiver uit elkander te houden, kunnen wij ons alleen van het zieleleven een klaar denkbeeld vormen. De fout van de geheele oudere psychologie is dan ook, dat ze voor deze interessante verschijnselen geen oog gehad heeft. (Zie vooral zijn „Essai sur les données immediates de la conscience").

Ongetwijfeld is het goed dat wij de macht der secundaire functie in dezen algemeenen zin niet verwaarloozen. Het is immers ook een echt Christelijke gedachte die ons daarin tegentreedt. Het verledene zinkt wel weg „onder den drempel van het bewustzijn", het verdwijnt wel uit het

Sluiten