Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dan zijn alle barrières weggevallen en worden juist die herinneringen gewekt. Toch moeten wij dit als uitzonderingsgevallen blijven beschouwen. De regel is dat de disposities van pijnlijke ervaringen wel sterker zijn, maar dat de reproductie van die disposities veel moeilijker geschiedt, wijl de ziel zich er innerlijk tegen verzet.

Bij het leeren van groote gedeelten is het in het algemeen hinderlijk wanneer er deelen in voorkomen die sterk emotioneel gekleurd zijn. Deze deelen worden dan immers krachtig doorleefd, en verslinden daardoor zeer veel van de psychische energie. De algemeene opmerkzaamheid voor de andere deelen wordt dus dienovereenkomstig verzwakt. De aandacht blijft aan die emotioneele deelen kleven, wordt afgeleid van het andere, en de functie van het leeren wordt geschaad. Vooral pijnlijke emoties wekken een groote onrust, die hinderlijk is voor het geheugen. In een klas waarin juist een onaangename scène zich heeft afgespeeld tusschen leeraar en een leerling, die als het ware algemeene ontroering wekte, is de spheer al zeer weinig geschikt voor verdere studie. Dat komt vooral daaruit voort, dat emotioneele ervaringen buitengewoon sterk na-functioneeren, zoodat er geruime tijd over verloopen moet voor de ziel weer stil, weer receptief zich verhouden kan. Daarom moeten alle groote en schokkende emoties volkomen vermeden worden.

De gunstige spheer voor het leeren schijnt dan geschapen, wanneer een algemeene en gelijkmatige stemming van rustige opgewektheid over de klas hangt. Het bewustzijn blijft dan frisch en kan gemakkelijk beschikken over de energie die voor het onthouden zoo dringend vereischt wordt. Dat dit beginsel voor het onderwijs niet zonder waarde is, spreekt wel van zelf. Frissche, lichte, vroolijke en gezellige lokalen leggen een gunstige basis voor het onderricht.

Bij het leeren hebben wij altijd alle hinderlijke werkingen met kracht te vermijden. Juist daarom is het noodig zich er rekenschap van te geven welke verschijnselen een schadelijken invloed kunnen uitoefenen.

Hinderlijk kunnen nu in de eerste plaats werken tegenstrijdige associaties. Wanneer ik altijd geleerd heb: a, b, c, d, e, f, en ik moet dan plotseling leeren: a, f, b, e, d, c, heb ik voor het leeren van die paar letters opvallend veel energie noodig. Dat komt omdat de associatiebaan a, b, c, enz. zoo vast in het geheugen lag, dat telkens tegenenergie gebruikt moet worden om die associaties te verhinderen. Zoodoende gaat echter bij het leeren te veel energie verloren zonder direct nuttig effect. Wij kunnen veel gemakkelijker iets nieuws leeren dan een stof die gedeeltelijk oud is, maar waarvan de associaties geheel anders liggen.

Experimenteel is dit ook niet moeilijk te bewijzen. Men laat b.v. een paar reeksen van lettergrepen uit het hoofd leeren. Daarna formeert men een nieuwe reeks die uit elementen van de vorige bestaat, maar waarbij de volgorde geheel anders is. Daarbij trad nu duidelijk aan het licht dat wanneer men zulk een nieuwe reeks werkelijk goed leeren wil, men meer herhalingen noodig heeft dan bij het leeren van een volkomen nieuwe reeks van dezelfde lengte. Blijkbaar is de associatieve schade dus in dat geval grooter, dan het voordeel dat natuurlijk ook bestaat, doordat men met reeds bekend materiaal te doen heeft.

Sluiten