is toegevoegd aan uw favorieten.

Inleiding in de zielkunde

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„bal", een cent en een vaasje waren beide „bal". Eigenaardig was dat de maan ook bij eerstekwartier-stand bal genoemd werd.

Eens zette ik hem op een kastje. Hij was blijkbaar bevreesd dat hij vallen zou en begon te schreien. Toen ik vroeg: ben je bang? gaf hij ten antwoord: „pang". Van toen aan gebruikte hij dat woord telkens. Was hij op een stoel gekropen, kwam een auto plotseling aanrijden, zag hij iets vreeselijk groots dan was het altijd weer: „pang". Wij meenden dus dat zijn begrip pang ongeveer overeen kwam met ons begrip bang. Dit bleek later een vergissing. Op een keer had ik met hem gespeeld. Toen ik wilde weggaan zei hij ineens: pang. Natuurlijk dachten wij een oogenblik aan een min of meer opzettelijken leugen. Toch merkten wij later dat hij ook andere malen, onder soortgelijke omstandigheden dat zelfde woord bezigde. Wij zagen in dat zijn begrip „pang" anders was dan het onze. Hij bedoelde er mee een gevoel van onbehagelijkeid, gepaard met een verlangen ervan verlost te worden. Daarvan was dat wat wij bangheid noemden alleen een frappant voorbeeld. Zijn begrip was anders dan het onze.

In het groote geheel van het psychisch gebeuren en van de ontwikkeling begint zich langzamerhand het begrip te kristalliseeren. Aanvankelijk is het nog zoo ruim dat met een enkel woord tal van dingen gedekt worden. Eerst bij intensievere kennismaking specialiseert het zich, wordt het meer individueel, komt er teekening, onderscheiding in.

Om van de kinderlijke begrippen iets te weten te komen, hebben wij op verschillende scholen (in Indië) enkele proeven georganiseerd. De vraag was telkens: wat is dit, of wat is dat? en de kinderen moesten het antwoord terstond opschrijven. Natuurlijk kan men op die wijze nog niet inkomen in het geheimzinnig proces van de begripsvorming zelf, maar men kan zich er toch eenig denkbeeld van vormen aan welke zijde van het begrip wij het meest houvast hebben. De kinderen die wij onderzochten waren tusschen de 10 en 12 jaar oud.

Bij de vraag: wat is een stoel? gingen bijna alle kinderen op dezelfde wijze te werk. Verreweg de meesten zeiden: een ding om op te zitten. Alleen de kinderen van 12 jaar maakten daarop een uitzondering. Zij neigden tot de definitie: een stoel is een meubelstuk. Zij trachtten het te ordenen onder een hooger begrip.

Wat is een paard? Het antwoord luidt bijna unaniem: een dier om op te rijden, een dier om te trekken enz. Een enkele zegt: een paard is een viervoetig dier. Enkele anderen geven een beschrijving: een paard is een flink, slank, gespierd dier enz.

Wat is een hoed? Algemeen: hoofddeksel. Een enkele ordent hem onder een hooger begrip: kleedingstuk. Een ander zegt: een hoed is van stroo.

Bij deze eerste drie woorden was de benadering vanuit het doel nog zeer overwegend. Van de 78 omschrijvingen waren niet minder dan 65 doelomschrijvingen.

Bij de volgende woorden ging dat moeilijker.

Wat is een muskiet? Negen van de 26 kinderen geven ten antwoord: een beest dat bijt, een beest om je te bijten. Ook daar weer de teleologische aanvat. 13 kinderen zeggen: een insect, 3 kinderen meer algemeen: een beest. De ordening onder een hooger begrip is daar dus overwegend. Zielkunde «.