Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

1. Ten eerste toch bleek dat de meening dat iedere voorstelling aan een bepaalde cel verbonden is, volkomen onhoudbaar moet worden geacht. Hoe de verschillende psychische inhouden met de soma, speciaal met de hersenen verband houden, blijft voorshands nog een raadsel, maar vast staat dat het niet zoo eenvoudig is als men het vroeger wel eens deed voorkomen.

2. Ten tweede mogen wij echter ook de voorstellingen niet opvatten als psychische atomen. Zulke bouwsteenen bestaan er niet. Iedere psychische inhoud is reeds een samengesteld geheel. De zielkunde heeft nu eenmaal niet te doen met quantitatief meetbare, eenvoudige, onveranderlijke en zelfstandige grootheden, maar met qualitatief en intensief verschillende, steeds gecompliceerde, wisselende en in elkaar vervloeiende structuurdeelen.

3. Ten derde is dan ook een verbinding van voorstellingen nooit op te vatten als een eenvoudige optelling. De voorstelling a wekt b op, resultaat is a + b. Zulke algebra bestaat er in de zielkunde niet. Wanneer de psychische inhoud a den psychischen inhoud b opwekt, ontstaat een nieuw geheel, waarin a en b als het ware versmolten zijn. Er is hier geen optelling maar voortdurende vergroeiing, structuur- of gestaltevorming.

4. Voorts is het dwaasheid te meenen dat men in het associatieleven de factoren van ik, vrijheid, wil enz. ontberen kan. Zulk een zelfstandige plaats wordt aan de verschillende inhouden niet gegund. Dat kan immers ook niet omdat dan ieder moment de orde verbroken zou worden.

5. En eindelijk is het ook geheel onjuist van associatiemetten te spreken; er is hoogstens sprake van regels volgens welke het denkproces verloopen kan.

Mits men deze vijf bezwaren in het oog houdt, bestaat er geen verdere verhindering om van associatie te blijven spreken. Toch doet men dan zuiverder wanneer men niet gewaagt van associatie van voorstellingen, maar associatie van psychische inhouden. Het zijn immers lang niet alleen voorstellingen die elkaar „oproepen", maar ook begrippen, emoties, e.d. hebben het vermogen elkander te associeeren. Terloops zij er hier op gewezen dat wij reeds vroeger, bij het spreken over de apperceptie met het verschijnsel der associatie te doen hadden. Daar was het de gewaarwording die uit het geheel van vroegere ervaringen dien indruk associeerde, dien zij noodig had om de tegenwoordige klaar en begrijpelijk te maken. Deze associatie verloopt zoo snel en spontaan dat zij ons ten eenen male ontgaat. Ja niet alleen dat, zij verbindt het geassocieerde zoo innig met de eigenlijke gewaarwording, de associaten zoo nauw met de associante, dat wij het onderscheid niet meer voelen en het geheel als waarneming plegen op te vatten. Daarop kan b.v. de mogelijkheid van het optisch bedrog berusten. Op deze associatieverschijnselen behoeven wij thans niet dieper in te gaan.

Wel moeten wij ons de vraag stellen — afziende voor een oogenblik van de betrekkelijke „willekeur" van het ik — of de associatie de eenige vorm van reproductie is, dan wel of er nog andere middelen ter beschikking staan. Geschiedt iedere reproductie zoo, dat de eene inhoud den anderen „oproept", associeert, of is het ook mogelijk dat een inhoud zoo maar,

Sluiten