Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

houden. Zelfs zijn er middelen te bedenken om vitale gevoelens zooals loomheid en frischheid, ja, zelfs psychische zooals opgewektheid en neerslachtigheid te doen ontstaan. Maar dat men iemand langs kunstmatigen weg oprecht berouw, gewetensangst e.d. zoomaar zou kunnen bezorgen, ieder voelt, dat dit niet gaat.

De verscheidenheid der gevoelskringen.

De gevoelens in te deelen is verre van gemakkelijk, zoo merkten wij reeds op. Geen enkel overzicht, geen enkele uitwerking van welk gezichtspunt uit ook bevredigt geheel. Bij iedere ordening zijn bezwaren in te brengen, kan men opmerken, dat met bepaalde gevallen geen rekening is gehouden, of dat men willekeurig is te werk gegaan. De pretentie van den onderzoeker bij een dergelijk overzicht kan dan ook niet verder gaan, dan dat hij poogt door het trekken van eenige ordenende lijnen tot nadere overweging te nopen. Intusschen kan geconstateerd, dat hetgeen denkers als M. Scheler, Fr. Grossart, Fr. Krueger o.a. in dezen hebben gepresteerd, zich verre verheft boven datgene, waarmede men zich nog in den tijd van Wundt moest tevreden stellen.

Legden we in de vorige paragraaf den nadruk op het ontwikkelingsmoment bij het gevoelsleven — waarbij behalve de bonte geschakeerdheid der gevoelens ook als van zelf een zeker ordeningsprincipe aan den dag moest komen — thans willen we speciaal de ordening zelf in het middelpunt plaatsen.

De thans gangbare indeeling betreft tweeërlei:

I. de polariteit van lust en onlust;

II. de gevoelskringen.

I. Vroeger stelde men lust en onlust tegenover elkander als de eenige, polaire, niet verder te ontleden gevoelskwaliteiten. Mocht men al tot verdere differentiatie overgaan, dan bestond deze daarin, dat lust en onlust met onderscheiden orgaangewaarwordingen of met alle mogelijke voorstellingen zich verbonden. Een dergelijke meening was bijv. ook Külpe nog toegedaan en van hem nam Driesch ze over.

Wundt vond nog twee andere kwaliteitsparen, die, naar hij meende, niet zonder meer tot lust en onlust zouden te herleiden zijn, n.1. irritatie — kalmeering en spanning — ontspanning. Een langgerekt schril geluid, de roode kleur van kamerwanden e.d. werken irriteerend, een liefelijk accoord, blauwe tinten daarentegen kalmeerend. Voorts: bij het verloop van sommige innerlijke processen volgt ontspanning na spanning bijv.: vervulling na verwachting, ontnuchtering na hoop, bevrediging na ongeduld.

Hoewel lust en onlust als polaire grondkwaliteiten nagenoeg altijd medetrillen, zoo is het stellig onjuist, alle gevoelsverscheidenheid tot deze twee of tot de zes van Wundt te willen herleiden. Men zou, in navolging van Lipps, dan beter nog aan elk gevoel een eigen kwaliteit kunnen toeschrijven. Waarmede dan de mogelijkheid van eenig overzicht natuurlijk kwam te vervallen.

II. De verschillende gevoelskringen.

De onbevredigende eenvormigheid in de oudere beschouwingen sproot mede hieruit voort, dat men in den mensch slechts tweeërlei onder-

Sluiten